HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424
Promis II-arrest. Cassatie in belang der wet. Uitleg art. 359.2 en 3 Sv (Wet bekennende verdachte). 1. Bewijsmotivering. 2. Weergave getuigeverklaring. Ad 1. Het wettelijk stelsel moet aldus worden begrepen dat de motivering van de bewezenverklaring - behoudens indien sprake is van een bekennende verdachte - op zijn minst dient te bestaan uit de weergave in het vs van die onderdelen van de bewijsmiddelen die de rechter redengevend acht voor de bewezenverklaring. ’s Hofs werkwijze i.c. t.a.v. de bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden (f&o) waarop de beslissing steunt dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, in een terstond uitgewerkt vs zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij het hof heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die f&o zijn ontleend. In beginsel is die werkwijze niet i.s.m. art. 359.3 Sv. Een dergelijke bewijsredenering kan de inzichtelijkheid van de door de rechter gevolgde gedachtegang bevorderen, terwijl niet wordt tekortgedaan aan de andere wezenlijke functie van de bewijsmotivering dat de rechter op controleerbare wijze zich ervan vergewist dat de beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op daartoe redengevende f&o die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Gunstig effect van de hier gevolgde werkwijze is dat verdachte terstond na de uitspraak beschikt over een uitgewerkt vs. Van een later op te maken "aanvulling" op het vs ex art. 365a Sv kan immers geen sprake meer zijn, omdat bij deze werkwijze geen verkort vs wordt gewezen. Dat in die werkwijze de redengevende inhoud van een bewijsmiddel zakelijk wordt samengevat, is op zichzelf niet onverenigbaar met genoemd motiveringsvoorschrift, waarbij uiteraard die redengevend geachte inhoud geen geweld zal mogen worden aangedaan. Wel zullen de redengevende f&o en de vermelding daarvan moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen – geheel of ten dele van feitelijke aard - die de rechter aan die f&o verbindt. Waar met een dergelijke gevolgtrekking wordt volstaan zonder dat de onderliggende redengevende f&o worden vermeld, is aan het wettelijk motiveringsvereiste niet voldaan. Benadrukt wordt dat het bij deze werkwijze noodzakelijk is dat de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die f&o zijn ontleend, zo nauwkeurig is dat zij de procesdeelnemers en de hogere rechter in staat stelt te beoordelen of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd. Terzijde wordt opgemerkt dat een bewijsmotivering bij wijze van een bewijsredenering als i.c. het gevaar in zich bergt dat niet alle onderdelen van de bewezenverklaring genoegzaam worden gemotiveerd, doordat die redenering te zeer wordt afgestemd op hetgeen verdachte tegen het hem gemaakte verwijt heeft ingebracht. Zo is i.c. de bewezenverklaring van het letsel niet van enige motivering voorzien maar het middel klaagt daar niet over. Ad 2. Het hof heeft, mede gelet op de verdere redactie van de bestreden uitspraak, met de bewoordingen (dat uit de verklaring van X) “blijkt dat etc.”, klaarblijkelijk slechts bedoeld verkort en zakelijk weer te geven wat aangever X heeft verklaard omtrent hetgeen hij heeft waargenomen en ondervonden. Daarom moet genoemde zinsnede worden gelezen als: "De verklaring van aangever X houdt in dat hij heeft waargenomen en ondervonden dat". Aldus verstaan behelst het niet een gevolgtrekking van het hof, maar een zakelijke weergave van datgene wat de aangever heeft verklaard te hebben waargenomen en ondervonden. In dit opzicht voldoet de bewijsmotivering aan hetgeen hiervoor is overwogen mbt het zakelijk samenvatten van de redengevende inhoud van een bewijsmiddel.
De uitspraak op rechtspraak.nl