HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3627
Uitlevering. Legaliteitsbeginsel. Dubbele strafbaarheid, art. 7 EVRM. Uitlevering aan Rwanda verzocht ter zake van genocide in 1994. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD5885. Blijkens haar overwegingen heeft de Rb hetgeen is vooropgesteld niet miskend. In die overwegingen ligt voorts als haar oordeel besloten dat genocide t.t.v. het begaan daarvan naar internationaal recht ook in Rwanda een strafbaar feit opleverde i.d.z.v. art. 7.1 EVRM en thans in Rwanda bij nationale wet strafbaar is gesteld en wordt bedreigd met een vrijheidsstraf van een jaar of langer. Het oordeel van de Rb getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Mede in aanmerking genomen hetgeen door de raadslieden van de opgeëiste persoon ttz. van de Rb is aangevoerd was de Rb niet tot een nadere motivering gehouden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, mede gelet op het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, dat door Rwanda in 1975 is geratificeerd, genocide ook in 1994 naar internationaal recht onmiskenbaar verboden was en dat het voor een ieder duidelijk moet zijn geweest dat genocide een misdaad is waarvoor degene die zich daaraan schuldig maakt strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. Aldus was de strafbaarheid van genocide in 1994 voldoende "accessible" en "foreseeable" als vereist door art. 7 EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl