HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:358

Bijstand tolk. V.zv. het middel ervan uitgaat dat een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, recht heeft op de bijstand van een tolk in zijn moedertaal, steunt het op een onjuiste rechtsopvatting. Ook het in deze zaak toepasselijke recht zoals dat gold vóór 1 oktober 2013, houdt in dat een verdachte die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, ttz. moet worden bijgestaan door een tolk in een taal die hij voldoende beheerst om het onderzoek ttz. te kunnen voortzetten. In zoverre faalt het middel. V.zv. het middel klaagt over het kennelijke oordeel van het Hof dat verdachte de Engelse taal voldoende beheerst om het onderzoek ttz. met de bijstand van een tolk in de Engelse taal te kunnen voortzetten, faalt het eveneens. ‘s Hofs oordeel is, gelet op hetgeen verdachte ttz. heeft verklaard, niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie. Middelen voor het overige: art. 81.1 RO (o.m. klacht over opleggen vrijheidsstraf. Stappen Terugkeerrichtlijn).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen