HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2673
Economische zaak. Afwijzing verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU. Verbod invoer ongeregistreerde geneesmiddelen in strijd met art. 28 EG-verdrag (verbod op kwantitatieve invoerbeperkingen)? Art. 3.4.ahf onder a Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (hierna: WOG), art. 3 van Richtlijn 65/65/EEG, artt. 1, 2, 6 van Richtlijn 2001/83/EG en artt. 28 en 30 EG-verdrag. Blijkens art. 2 en 6.1 van Richtlijn 2001/83/EG mocht t.t.v. het begaan van het bewezenverklaarde - en mag ook thans - een industrieel vervaardigd geneesmiddel in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer, kort gezegd, door de bevoegde autoriteit van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven of een vergunning is afgegeven overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2309/93. In ’s Hofs arrest ligt besloten dat de in de bewezenverklaring genoemde producten kunnen worden aangemerkt als farmaceutische specialiteiten in de zin van art. 1.1 van Richtlijn 2001/83/EG en dus als geneesmiddelen als bedoeld in art. 1.2 van die Richtlijn, alsmede dat sprake is van uitvoer. Gelet hierop kon de aan de importeur van deze middelen opgelegde verplichting om vóór het in de handel brengen daarvan in de lidstaat van invoer een vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig deze richtlijn te verkrijgen, dus hoe dan ook geen door art. 28 EG-verdrag (oud) verboden beperking van het intracommunautaire handelsverkeer vormen (vgl. ECLI:EU:C:2004:237, rov. 57, en ECLI:EU: C:2007:678, rov. 35). Reeds daarom getuigt ’s Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie niet van een onjuiste rechtsopvatting.
De uitspraak op rechtspraak.nl