HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:197

OM-cassatie en cassatie verdachte. 1. Ontvankelijkheid partieel cassatieberoep verdachte. Art. 429 Sv 2. O.a.h.v. “verlammingsapparaat” (middel verdachte). 3. Gewoontewitwassen. Afkomstig uit enig misdrijf. (middel OM) Ad 1. De HR herhaalt toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2013:CA1610. De door het Hof bewezenverklaarde 2 transacties waartoe het cassatieberoep is beperkt, zijn niet als zelfstandige strafrechtelijke verwijten te beschouwen. De HR verstaat de cassatieakte aldus dat cassatieberoep is ingesteld tegen alle beslissingen t.z.v. het onder 1 primair tlgd., en dat in de akte slechts ten overvloede is opgenomen op welke gedeelten van de bestreden uitspraak de bezwaren i.h.b. betrekking hebben. Ad 2. De HR herhaalt toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:1997:ZC9322 en ECLI:NL:HR:1998:ZD1256. Het oordeel van het Hof dat een verlammingsapparaat als i.c. kan dienen tot het voorbereiden van soortgelijke feiten geeft blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip "soortgelijke feiten" a.b.i. art. 36d Sr, nu de door verdachte begane overtreding van art. 3.B Opiumwet niet soortgelijk is aan en tot dezelfde categorie behoort als het voorhanden hebben van een wapen van categorie II.5 a.b.i. art. 2 WWM. Ad 3. Het Hof heeft geoordeeld dat het i.c. vereiste nader onderzoek door het OM naar f&o "die de legale herkomst van de tlgd. geldbedragen en voorwerpen met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten" onvoldoende is gebeurd en als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat hetgeen door het OM aan materiaal is gepresenteerd ontoereikend is om tekortkomingen in de verklaringen van verdachte op te vatten als een onvoldoende weerlegging van het bewijsvermoeden van witwassen en dat ook overigens het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de in de tll. genoemde geldbedragen en goederen (mede) "afkomstig was/waren uit enig misdrijf". Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bestanddeel "afkomstig (…) uit enig misdrijf" a.b.i. art. 420bis Sr en is ook niet onbegrijpelijk. V.zv. het middel het standpunt huldigt dat het Hof ten onrechte de eis heeft gesteld dat "het concrete bedrag of de concrete bedragen met voldoende precisie bewezen moeten kunnen worden" en dat niet kan worden volstaan met de bewezenverklaring van "enig geldbedrag", gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest. Anders dan wordt betoogd, heeft het Hof niet geoordeeld dat voor het bewijs van de in de tll. opgenomen bestanddelen "voorwerp afkomstig uit enig misdrijf" en "een geldbedrag" is vereist dat steeds de concrete brondelicten en de precieze omvang van de daaruit voortvloeiende gelden moeten worden bewezen, maar dat het bewijs daarvan i.c. ontbreekt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken