HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1563
Opsporingsmethode “stille sms”. Het toezenden van voor de gebruiker van de telefoon niet-waarneembare sms-berichten is als zodanig niet in een daarop toegesneden wettelijke bepaling geregeld. Voor een dergelijke wijze van opsporing moet worden aangenomen dat de opsporingsambtenaren o.g.v. art. 2 (oud) Politiewet 1993 (thans art. 3 Politiewet 2012) en art. 141 en 142 Sv, zoals in de rechtspraak van de HR uitgelegd, alleen bevoegd zijn haar in te zetten op een wijze die een beperkte inbreuk maakt op grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Toepassing van deze opsporingsmethode jegens de gebruiker van het telefoontoestel kan i.h.b. onrechtmatig zijn indien zij i.v.m. de duur, intensiteit en frequentie ervan geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. ’s Hofs oordeel dat i.c. sprake is van een beperkte inbreuk op de grondrechten van verdachte en het toezenden van de niet-waarneembare sms-berichten niet zeer risicovol is geweest voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Of dat oordeel begrijpelijk is, is afhankelijk van de omst. van het geval. Dat oordeel is i.c. ook niet onbegrijpelijk mede in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat gelet op duur en frequentie van toezending slechts een beperkt beeld van de bewegingen van de gebruiker werd verkregen, het opsporingsmiddel met toestemming van de OvJ is ingezet, ondanks gebreken in de verslaglegging voldoende duidelijkheid over de inzet van de methode is verkregen en reeds uitvoering werd gegeven aan door de OvJ o.g.v. art. 126g, 126m en 126n Sv gegeven bevelen en een machtiging van de R-C a.b.i. art. 126m.5 Sv was verstrekt.
De uitspraak op rechtspraak.nl