HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1562

Gebruik IMSI-catcher ter lokalisatie verdachte. Art. 126nb (oud) Sv, art. 3.10 (oud) Telecommunicatiewet. Bij de opsporing is met toestemming van de OvJ een IMSI-catcher ingezet, teneinde het geografisch gebied af te bakenen waarbinnen de GSM-telefoon van verdachte, waarvan het nummer reeds bekend was, zich bevond. M.b.v. dit middel kan worden bepaald op welke plaats (de gebruiker van) de GSM-telefoon zich bevindt, zonder dat kan worden waargenomen wat de gebruiker doet of zegt. De opvatting dat de inzet van de IMSI-catcher zoals dat i.c. is gebeurd is geregeld in art. 126nb (oud) Sv is onjuist, nu dat art. slechts de bevoegdheid betreft om m.b.v. de in dat art. bedoelde apparatuur – waaronder de IMSI-catcher - het nummer te verkrijgen waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd. Art. 126nb (oud) Sv en art. 3.10 (oud) Telecommunicatiewet sluiten naar tekst en strekking niet uit dat de IMSI-catcher ook buiten de in art. 126nb (oud) Sv genoemde gevallen mag worden gebruikt, zoals om het geografisch gebied af te bakenen waarbinnen (de gebruiker van) de GSM-telefoon zich bevindt. De inzet van de IMSI-catcher i.c. is als zodanig niet in een daarop toegesneden wettelijke bepaling geregeld. Voor een dergelijke wijze van opsporing moet worden aangenomen dat de opsporingsambtenaren o.g.v. art. 2 (oud) Politiewet 1993 (thans art. 3 Politiewet 2012) en art. 141 en 142 Sv, zoals in de rechtspraak van de HR uitgelegd, alleen bevoegd zijn haar in te zetten op een wijze die een beperkte inbreuk maakt op grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Toepassing van deze opsporingsmethode jegens de gebruiker van de GSM-telefoon kan i.h.b. onrechtmatig zijn indien zij i.v.m. de duur, intensiteit en frequentie ervan geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. ’s Hofs oordeel dat de inzet van de IMSI-catcher i.c. slechts een zo beperkte inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte dat voor dat gebruik art. 2 (oud) Politiewet 1993 (thans art. 3 Politiewet 2012) een toereikende wettelijke grondslag biedt, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Of dat oordeel begrijpelijk is, is afhankelijk van de omst. Van het geval. Dat oordeel is i.c. niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen de korte duur van de inzet van het apparaat waarvoor toestemming is gegeven door de OvJ.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen