HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1180
1. Witwassen, art. 420bis Sr. 2. Gedeeltelijk slagende klacht over toewijzing vordering b.p. en opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Wettelijke rente. Ad 1. Aangezien het Hof niet nader heeft gemotiveerd waarom sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dit geldbedrag, is ’s Hofs oordeel dat sprake is van witwassen ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. V.zv. het middel berust op de opvatting dat de ingangsdatum van de te betalen wettelijke rente over het bedrag van de toegewezen vordering van de b.p. gelijk moet zijn aan de ingangsdatum van de te betalen rente over het bedrag van de op de voet van art. 36f Sr opgelegde betalingsverplichting, is het middel tevergeefs voorgesteld omdat die opvatting niet juist is. Het staat de strafrechter immers vrij al dan niet een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Gelet op de inhoud van het van toepassing zijnde art. 6:83ahf.b BW en de in de bewezenverklaring genoemde periode, geeft ’s Hofs oordeel t.a.v. de ingangsdatum van de te betalen rente over het bedrag van de opgelegde betalingsverplichting niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het Hof t.a.v. de ingangsdatum van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag van de vordering van de b.p. is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl