HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7150
Militaire zaak. 1. Ontvankelijkheid OM. 2. Art. 6 EVRM vanwege, onthouden mogelijkheid tegenonderzoek. Ad 1. De klacht dat niet is voldaan aan het motiveringsvoorschrift van art. 359.2, tweede volzin, Sv stuit af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft a.b.i. art. 358.3 Sv. Daarvoor geldt het motiveringsvoorschrift van art. 359.2, eerste volzin, Sv. HR herhaalt toepasselijke overweging uit HR LJN AM2533. ‘s Hofs oordeel dat het OM niet doelbewust tot vernietiging van bewijsmateriaal is overgegaan en dat geen sprake is van doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR herhaalt toepasselijke overweging uit HR LJN AR7228. V.zv. het middel uitgaat van de opvatting dat de verdachte steeds recht heeft op een tegenonderzoek, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Het middel faalt ook v.zv. het ervan uitgaat dat verdachte i.c. ten onrechte de mogelijkheid van een tegenonderzoek is onthouden. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de onmogelijkheid om op gelijke wijze als het OM onderzoeksresultaten in het geding te brengen i.c. niet aan een eerlijke procesvoering in de weg staat, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl