HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5374

1. Art.1.2 Sr. Verandering van wetgeving. Plaatsing op lijst II behorende bij de Opiumwet (Ow) van paddenstoelen die van nature de stof psilocine of psilocybine bevatten. 2. Reikwijdte van in art. 2 en 3 Ow vervatte verboden. Ad 1.HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BP6878 m.b.t. verandering van wetgeving. Uit de nota van toelichting, noch uit enige andere aanwijzing kan worden afgeleid dat de wijziging van de regelgeving i.c. voortvloeit uit een verandering van inzicht van de regelgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wijziging begane onder 1 bewezenverklaarde (gekwalificeerd als ‘opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2.c Ow gegeven verbod’). Nu de regels van sanctierecht wat dat feit betreft wel zijn veranderd ten gunste van verdachte, had het Hof die nieuwe regels moeten toepassen. De wijziging in regelgeving alsmede art. 1.2 Sr brengen aldus mee dat voor het strafbare feit dat onder 1 is bewezenverklaard, als zodanig een maximum van 2 jaar gvs geldt. Het is onaannemelijk dat de regelgever bij de wijziging voor ogen heeft gehad dat in een geval als i.c. voor het onder 3 bewezenverklaarde feit (voorbereiding van het opzettelijk bewerken van psilocybine of psilocine bevattende substanties en/of preparaten) nog een veroordeling t.z.v. art. 10a Ow. met als maximum 6 jaar gvs zou kunnen volgen. Daarom moet worden aangenomen dat voormelde wijziging van de regelgeving voor een specifiek geval als i.c. in zoverre wel blijk geeft van een gewijzigd inzicht in de strafwaardigheid van vóór de wijziging begane feiten, zodat het onder 3 bewezenverklaarde thans niet meer strafbaar is. Ad 2. HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR LJN ZC9875. Gelet daarop geeft ‘s Hofs oordeel dat het aanwezig hebben van DMT bevattende stukjes boomschors als overtreding van art. 2 Ow strafbaar is, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen