HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3886
Afwijzing (voorwaardelijk) verzoek tot het laten verrichten van een DNA-tegenonderzoek. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2005/514. Bij de afwijzing van het verzoek heeft het Hof niet alleen van belang geacht hetgeen de deskundigen X en Y hebben verklaard over de gebruikte technologie, maar ook gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Met dit laatste heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het voorhanden bewijsmateriaal meer omvat dan het door de verdediging bestreden DNA-onderzoeksresultaat. ’s Hofs oordeel dat in het onderhavige geval voor het verrichten van het gevraagde onderzoek de noodzaak niet is gebleken, is niet onbegrijpelijk. De afwijzing van het verzoek is voorts, in aanmerking genomen hetgeen de raadsman aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, toereikend gemotiveerd. Conclusie AG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl