HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5138
Wederrechtelijke toe-eigening. Verduistering, art. 321 Sr. HR herhaalt toepasselijke overweging uit HR LJN ZC8253. T.a.v. feit 1 en 3: Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte de in de bewezenverklaringen genoemde auto’s telkens had meegekregen van resp. X en Y teneinde door hem te worden verkocht en geleverd aan mogelijk geïnteresseerden, waarna verdachte een afgesproken bedrag van de verkoopprijs aan resp. X en Y zou afdragen. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat verdachte de auto’s die hij onder zich had gekregen, heeft verkocht en geleverd aan derden en dat hij van de verkoopprijs niet het afgesproken bedrag aan X en Y heeft betaald. ’s Hofs kennelijke oordeel dat daaruit volgt dat verdachte de auto’s die hij o.g.v. de met X en Y gemaakte afspraken ten verkoop onder zich had gekregen, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, is niet juist. T.a.v. feit 2: Het Hof heeft vastgesteld dat A, eigenaar van de in de bewezenverklaring bedoelde Volkswagen, aan B de opdracht heeft gegeven deze auto te verkopen, dat laatstgenoemde de auto aan verdachte heeft verkocht, dat verdachte van A de kentekenbewijzen heeft meegekregen, dat A geen betaling voor de auto heeft ontvangen en dat verdachte de auto, die inmiddels op zijn naam stond, heeft doorverkocht aan C. Hieruit kan bezwaarlijk anders worden afgeleid dan dat de auto o.g.v. een door verdachte met B gesloten koopovereenkomst aan hem geleverd is. Dat betekent dat verdachte bezitter van de auto is geworden en de auto niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening door verdachte vatbaar was. De enkele omstandigheid dat verdachte heeft nagelaten de door hem verschuldigde koopsom te betalen, levert geen grond op om af te wijken van de uit het burgerlijk recht voortvloeiende regel dat de desbetreffende auto na levering daarvan tot het vermogen van de koper is gaan behoren. ’s Hofs oordeel dat verdachte de auto heeft verduisterd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
De uitspraak op rechtspraak.nl