HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:900

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Art. 246 Sr. Verhouding ‘feitelijkheden’ en ‘ontuchtige handelingen’. De in het middel vervatte opvatting dat de bewezenverklaarde ‘feitelijkheden’, te weten de arm op de rug van het slo. leggen en onverhoeds haar borsten aanraken, niet tevens dezelfde handelingen kunnen betreffen als de bewezenverklaarde ‘ontuchtige handelingen’ v.zv. bestaande uit het met de hand aanraken van de borsten en de rug van het slo., is niet juist. Het Hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting omtrent die begrippen a.b.i. art. 246 Sr kunnen oordelen dat door het dwingende en onverhoedse karakter van eerstbedoelde handelingen verdachte gedwongen is geweest de ontuchtige handelingen te dulden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen