HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4828
Art. 359a Sv. Vormverzuimen. Inzet diensthond en vuistslagen. ‘s Hofs oordeel dat de door hem vastgestelde vormverzuimen niet tot NO-verklaring van het OM in de vervolging kunnen leiden geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat onregelmatigheden in de wijze waarop de verdachte is aangehouden op zichzelf in de regel niet zullen meebrengen dat aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort wordt gedaan. Bijzondere omstandigheden die hier tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet aangevoerd. ‘s Hofs oordeel dat geen strafvermindering behoeft te worden verbonden aan het verzuim aangaande de inzet van de diensthond geeft tegen de achtergrond van HR LJN AM2533, rov. 3.6.3 niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, gelet op de door het Hof vastgestelde gang van zaken direct voorafgaande aan de aanhouding van de verdachte. Met het oordeel dat het disproportionele optreden van de hondengeleider door de verdachte drie vuistslagen in het gezicht te geven niet tot strafvermindering kan leiden heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het Hof heeft geoordeeld dat het uitsluitend aan de korpsleiding en het OM is, en niet aan de rechter om op dergelijke onregelmatigheden met een sanctie te reageren geeft het oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR LJN AR5092). Indien het Hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn afweging op grond van welke feiten en omstandigheden het tot zijn beslissing is gekomen om de vastgestelde onregelmatigheden niet op de voet van art. 359a.1.a, Sv met strafvermindering te compenseren. Zijn verwijzing naar “al hetgeen hiervoor reeds is overwogen” schiet in dit verband tekort.
De uitspraak op rechtspraak.nl