HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5158
1. Verstek, terugwijzing naar rechter in e.a. 2. Bewijsklacht opzet. 3. Verstekmededeling, art. 366 Sv, redelijke termijn. Ad 1. Zowel het vonnis in e.a. als de bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN AD5163 (rov. 3.33 en 3.34) en HR LJN AU3490 m.b.t het aanwezigheidsrecht bij verstek in e.a. en in h.b. V.zv. het middel erover klaagt dat het Hof niet ervan heeft doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de juistheid van de beslissing van de eerste rechter om de zaak bij verstek af te doen, faalt het. Dat brengt mee dat de op deze klacht voortbouwende klacht dat het Hof de zaak niet heeft teruggewezen naar de rechter in e.a., eveneens faalt. Ad 2. Het kennelijke oordeel van het Hof dat verdachte door het vastpakken van en trekken aan de halsketting bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daardoor pijn zou ondervinden, is - gelet op hetgeen de algemene ervaring leert - niet onbegrijpelijk. Ad 3. Nu de verstekmededeling niet binnen een jaar na het bestreden arrest is betekend, moet worden aangenomen dat de redelijke termijn in de fase na de bij verstek gewezen uitspraak in h.b. is overschreden. Dit leidt tot strafvermindering.
De uitspraak op rechtspraak.nl