HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4490

Verwerping verweer n-o OM wegens schending art. 255.1 en 3 Sv. Het oordeel van het Hof dat de OvJ niet gehouden was om na het doen uitgaan van de kvnvv in 1999, welke kennisgeving was gegrond op de omstandigheid dat verdachte onvindbaar was voor de justitiële autoriteiten, de in 1995 gedane internationale signalering van verdachte in te trekken, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs oordeel dat de internationale signalering, de aanhouding en de ivs van verdachte louter opsporingshandelingen betreffen en derhalve geen handelingen zijn waardoor verdachte weer “in rechten wordt betrokken” a.b.i. art. 255.1 Sv geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van genoemde bepaling. Voorts geeft het oordeel van het Hof dat en waarom verdachte niet lichtvaardig alsnog ttz. is gedagvaard, zodat aan de strekking van art. 255.3 Sv niet is tekortgedaan, en het geconstateerde verzuim daarom zonder gevolgen kan blijven, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen