HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620

1. Falende bewijsklacht verduistering geldbedragen i.v.m. beleggingen. Art. 321 Sr. 2. Duur vervangende hechtenis bij oplegging svm. Artt. 24c.1en 3, 36f.6 (oud), 57 en 60a Sr. Ad 1. HR herhaalt HR LJN ZC8253 m.b.t. de betekenis van het begrip zich wederrechtelijk toe-eigenen in de zin van art. 321 Sr. Van zodanige toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gemachtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van zodanig beschikken kan - afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval - o.m. sprake zijn indien aan een ander dan verdachte toebehorende gelden aan verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt. In de b.o. heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat uit de gebezigde b.m. moet worden afgeleid dat verdachte alle gelden die hem door de onderscheiden aangevers ter beschikking zijn gesteld om daarmee ‘te beleggen’ tegen de met die aangevers gemaakte afspraken in heeft beheerd of voor andere doeleinden heeft aangewend. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen de door het Hof - feitelijk en niet onbegrijpelijk - aan die afspraken gegeven uitleg dat het verdachte niet vrijstond de hem ter beschikking gestelde gelden naar eigen goeddunken ter bekostiging van zijn bedrijfsvoering te besteden, maar dat hij gehouden was de geleende gelden voor het telkens overeengekomen (beleggings)doel te besteden en met de overeengekomen rentevergoeding aan de aangevers terug te betalen. Daaraan kan niet afdoen dat in enkele gevallen uit de b.m. slechts kan worden afgeleid dat verdachte niet binnen de afgesproken termijn gelden (volledig) heeft terugbetaald of dat verdachte, naar hij heeft gesteld, in een enkel geval zelf geen (volledige) betaling heeft ontvangen van degene aan wie hij het hem ter beschikking gestelde geld heeft (door)geleend, aangezien uit de gebezigde b.m. kan volgen dat verdachte de teruggave - met de toezegging van rentevergoeding - van die hem met het doen deze te beleggen ter beschikking gestelde geldbedragen door zijn eigen handelwijze onmogelijk heeft gemaakt of aanmerkelijk heeft bemoeilijkt. Ad 2.HR ambtshalve: De door het Hof opgelegde svm’s gaan het maximum te boven. HR vermindert zelf de duur van de vervangende hechtenis aldus dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen