HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7644
1. Afwijzing aanhoudingsverzoek. 2. Art. 6 EVRM en 41 Sv. Ad 1. Gelet op de door het Hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden is ’s Hofs afwijzing van het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouwe om zich te kunnen voorbereiden op haar pleidooi niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd; klaarblijkelijk heeft het Hof het belang van een voortvarende behandeling van de strafzaak laten prevaleren. Ad 2. Het Hof heeft het verzoek van de verdachte om contact op te nemen met een nieuwe advocaat afgewezen en verwezen naar HR LJN BD7809. Kennelijk heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de raadsvrouwe ondanks haar tezamen met de verdachte afgelegde mededeling dat zij de verdachte niet langer ter terechtzitting terzijde stond, nog wel als toegevoegde raadsvrouwe van de verdachte had te gelden en dat de verdachte bij de voortzetting van de behandeling van de zaak op zichzelf nog steeds aanspraak kon maken op rechtsbijstand door deze raadsvrouwe. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 41 Sv en is niet onbegrijpelijk. ’s Hofs afwijzing van het verzoek van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld contact op te nemen met een - nieuwe - advocaat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft kennelijk de omstandigheden van dit geval als zeer uitzonderlijk beschouwd en het verzoek aangemerkt als te zijn gedaan met geen andere intentie dan om een goede rechtsgang te belemmeren. Tot die oordelen heeft het Hof gelet op het uit de processen-verbaal blijkende zeer moeizame en langdurige procesverloop als gevolg van de wijze waarop de verdachte en de op diens instigatie optredende raadslieden zich hebben opgesteld. Geen sprake van schending van art. 6.3.b en c EVRM. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl