HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7360
Profijtontneming. Art. 359.2 Sv uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (uos). Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat de rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) moet oordelen, gebonden is aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Dit laat onverlet dat aan de rechter, oordelend op de vordering tot ontneming van w.v.v., een zelfstandig oordeel toekomt m.b.t. alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het w.v.v. kan worden geschat (vgl. HR LJN ZD1501). Blijkens de pleitnota is door de verdediging subsidiair bij pleidooi aangevoerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om te kunnen vaststellen of er een eerdere oogst is geweest en dat er alternatieve verklaringen zijn voor de aanwezigheid van de plantenresten. Het betoog van de verdediging dienaangaande kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat betrekking heeft op de schatting en vaststelling van de omvang van het ontnemingsbedrag en dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uos afgeweken door bij de berekening van het bedrag waarop het w.v.v. vastgesteld moet worden, uit te gaan van een eerdere oogst. Het Hof heeft in strijd met art. 359.2.2e volzin Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot de afwijking van het uos. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359.8 Sv nietigheid tot gevolg.
De uitspraak op rechtspraak.nl