HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1721

Onderzoek als bedoeld in art. 163.4 WVW 1994. Van “een onderzoek” is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot die waarborgen behoort ingevolge art. 163.9 WVW 1994 dat een onderzoek van het afgenomen bloedmonster niet plaatsvindt dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Indien de rechter tot het oordeel komt dat bedoelde waarborg niet is nageleefd, leidt dat ertoe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd (vgl. HR LJN AD6940). Art. 359a Sv is hier niet van toepassing (vgl. HR LJN BM4412). In aanmerking genomen dat in onderhavige zaak het onderzoek van het bloedmonster naar de aanwezigheid van andere stoffen dan alcohol eerst is afgerond nadat de verdachte zijn toestemming had verleend voor het uitvoeren van dat onderzoek, getuigt het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat sprake is van “een onderzoek” als bedoeld in art. 163.4 jo. 163.9 WVW 1994 niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat het Hof heeft vastgesteld dat het onderzoek is aangevangen “op 5 februari 2006, vóórdat de verdachte zijn toestemming daartoe had gegeven”, doet daaraan niet af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen