HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981
Valse aangifte. Art. 188 Sr. Voor toepassing van art. 188 Sr is voldoende dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. In HR LJN AC2913 kan niet worden gelezen dat de HR toen daaromtrent anders heeft geoordeeld. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte tegenover een politieambtenaar telefonisch heeft gemeld dat hij door een groepje Marokkanen met de dood was bedreigd. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat verdachte tijdens dit telefoongesprek concrete informatie heeft gegeven over zowel tijd en plaats van het incident als de personen van de daders. Aldus heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de betrokken politieambtenaar uit de door verdachte gedane mededelingen heeft moeten begrijpen dat op zekere tijd en op een aangegeven plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. ’s Hofs oordeel dat sprake is van een aangifte a.b.i. art. 188 Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl