HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2491

Grondslagverlating. Art. 246 Sr. 1. Door te overwegen dat van dwang door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, geen sprake kan zijn indien het slachtoffer zich niet heeft verzet tegen de verdachte en heeft het Hof een onjuiste betekenis toegekend aan de in de tenlastelegging voorkomende term “dwingen” die aldaar is gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 246 Sr. Door de verdachte van feit 1 subsidiair vrij te spreken heeft het Hof hem dus vrijgesproken van iets anders dan was tenlastegelegd en dus de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. 2. Door ten aanzien van feit 2 primair te overwegen dat de handelingen zoals in de tenlastelegging omschreven in de gegeven context wellicht grensoverschrijdend zijn, maar niet als ontuchtige handelingen zijn aan te merken, heeft het Hof op zichzelf geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting t.a.v. art. 246 Sr. Het Hof heeft derhalve niet vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd en van grondslagverlating is geen sprake. 3. De klacht dat het Hof met de overweging dat “uit de voorhanden zijnde stukken niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van de voor een veroordeling voor artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht benodigde (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid” onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, omdat zo onduidelijk blijft of het Hof heeft geoordeeld dat de gedragingen die zijn omschreven achter de verschillende gedachtestreepjes, geen (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid opleveren of dat die gedragingen niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, faalt omdat het aan de motivering van een vrijspraak een eis stelt die geen grondslag in het recht vindt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen