HR 21 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4600
1. Verwerping verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM. 2. Art. 359.2 Sv. Ad 1. Met zijn overweging heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de omstandigheid dat de inbeslaggenomen administratie in het ongerede is geraakt een ernstige inbreuk vormt op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Op die grond heeft het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, zij het slechts ten aanzien van die feiten “waarin verdachte en zijn medeverdachte bij hun verhoor ter terechtzitting in hoger beroep hun standpunt uitdrukkelijk hebben willen toelichten aan de hand van de verdwenen administratie”. In aanmerking genomen dat hetgeen namens de verdachte is aangevoerd er op neerkomt dat hij ook ten aanzien van alle overige feiten in zijn verdediging wordt belemmerd door de omstandigheid dat de administratie ontbreekt, is het oordeel van het hof dat het ontbreken van bedoelde administratie niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van die overige feiten, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Ad 2. Nu het hof de juistheid van het met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet strijdige betoog van de verdediging in het midden heeft gelaten, is de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid opengebleven dat de verwijderde goederen niet tot de faillissementsboedel behoorden.
De uitspraak op rechtspraak.nl