HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1768
IPR. Verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van in buitenland gewezen uitspraak op de voet van art. 38 onder 1 EEX-Verordening. De rechter dient ook als de gedaagde verschijnt en de bevoegdheid van de rechter niet (langer) betwist een beroep op schending van (het door een uitdrukkelijke noch een stilzwijgende forumkeuze opzij te zetten) art. 22, aanhef en onder 1, EEX-Verordening zelfstandig te beoordelen. Toepassing nationaal procesrecht mag geen afbreuk doen aan nuttig effect EEX-Verordening. Art. 22 EEX-Verordening moet restrictief worden uitgelegd (vgl. HvJ EG 10 januari 1990, NJ 1991/572). Vordering tot verlening medewerking aan verdeling van partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende in Nederland gelegen onroerende zaken heeft geen betrekking op een zakelijk recht op onroerend goed; een noodzakelijke voorwaarde voor toepasselijkheid van art. 22, onder 1, EEX-Verordening. Zelfs indien de vordering tot verdeling eventueel gevolgen heeft voor het eigendomsrecht op onroerend goed, vindt zij niettemin haar grondslag in een persoonlijk recht dat niet tegenover derden geldend kan worden gemaakt. Ook indien de gemeenschap kan worden aangemerkt als vennootschap of rechtspersoon in de zin van art. 22, onder 2, EEX-Verordening, is dit artikel niet van toepassing nu het geschil de wijze van verdeling betreft en niet de “geldigheid, nietigheid of ontbinding” van een vennootschap of rechtspersoon.
De uitspraak op rechtspraak.nl