HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0265
Verwerping beroep op noodweerexces. De HR stelt voorop dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging, bijv. in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan of sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de aangevallene - handelende in een hevige gemoedsbeweging - zich op het slachtoffer richtte. ’s Hofs oordeel dat verdachte geen beroep op noodweer en dientengevolge ook geen beroep op noodweerexces toekomt, is gelet op deze vooropstelling onjuist, noch onbegrijpelijk. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken “dat er sprake is geweest van geweld van de kant van het slachtoffer richting de verdachte”, en dat het verweer niet inhoudt dat en in welk opzicht het slachtoffer anderszins was betrokken bij het beweerdelijke door X jegens verdachte uitgeoefende geweld, terwijl dat verweer ook niets behelst waaruit zou kunnen volgen dat van de zijde van het slachtoffer sprake is geweest van “andere gedragingen” als hiervoor bedoeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl