HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7719
Economische zaak. Art. 51 Sr, daderschap van een rechtspersoon. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJNAF 7938. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte als dader van de tenlastegelegde gedragingen kan worden aangemerkt. De feiten en omstandigheden waarop het Hof diens oordeel heeft gebaseerd zijn echter niet voldoende om dat oordeel te dragen. De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte die gedragingen heeft verricht, is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De HR merkt nog op dat de kennelijk ten overvloede gegeven overweging dat ‘voor de vraag welke rechtspersoon wordt vervolgd niet het civielrechtelijke kleed maar de maatschappelijke realiteit beslissend is’, te algemeen is geformuleerd voor zover het om de vaststelling van het daderschap van een rechtspersoon gaat en dat deze maatstaf in eerdere rechtspraak slechts is gebezigd in het - zich hier niet voordoende - geval van de voortzetting van een rechtspersoon door een andere rechtspersoon (vgl. HR NJ 1981/123).
De uitspraak op rechtspraak.nl