HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1028

Bezwaarschrift tegen dagvaarding. Verjaring. 1. Aanvangstermijn verjaring en art. 328ter Sr. 2. Daad van vervolging. Ad 1. Het Hof heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn i.c. is aangevangen “op het moment dat de gift(en) wordt/worden gedaan c.q. opdracht ter effectuering ervan wordt gegeven”. Dat oordeel is, mede gelet op ’s Hofs vaststelling dat “o.g.v. het dossier en het verhandelde in raadkamer in 1e aanleg en in h.b. (…) geen aanleiding is om aan te nemen dat de voor de voltooiing van het delict vereiste wetenschap aan de zijde van verdachte later zou zijn ontstaan dan het moment waarop hij de giften en beloften zou hebben gedaan”, niet onjuist en naar behoren met redenen omkleed. Ad 2. Een daad van vervolging i.d.z.v. art. 72 Sr die de verjaring stuit, betreft een daad welke erop is gericht een voor t.u.l. vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen (HR NJ 1992, 265). Gelet daarop heeft het Hof een brief van de OvJ, inhoudende o.m. de mededeling dat hij voornemens is verdachte te vervolgen t.z.v. de in die brief aangeduide strafbare feiten, ten onrechte aangemerkt als een daad van vervolging in voormelde zin.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen