HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6671
N-o verklaring verdachte in h.b. De HR herhaalt relevante r.o. uit HR LJN AO5706 m.b.t. verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van een rechtsmiddel. Blijkens het p.v. van de tz. in h.b. heeft verdachte niet alleen aangevoerd dat zij voorafgaand aan de tz. in 1e aanleg tegen de gerechtsbode heeft gezegd dat zij niet aanwezig kon zijn bij de inhoudelijke behandeling van haar zaak, maar ook dat de gerechtsbode haar heeft medegedeeld dat zij een nieuwe oproep zou ontvangen. Het Hof had de juistheid van de als laatste aangevoerde omstandigheid niet in het midden mogen laten. Indien immers zou vaststaan dat de gerechtsbode aan verdachte zou hebben meegedeeld dat zij een nadere oproep zou ontvangen, zou sprake kunnen zijn van een omstandigheid welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn. In dat geval zou aan verdachte, in weerwil van de kennelijke gedachtegang van het Hof, niet kunnen worden tegengeworpen dat zij niet heeft nagegaan “wat er was gebeurd met haar zaak”. De bestreden uitspraak is dus ontoereikend gemotiveerd.