HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415
1. Verwerping verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM in de vervolging, subsidiair bewijsuitsluiting en meer subsidiair strafvermindering. 2. Deelneming aan een criminele organisatie, art. 140 Sr. Ad 1. Gelet op ‘s Hofs, in cassatie onbestreden vaststellingen is zijn oordeel dat voorafgaande aan het (pre)planningsonderzoek geen sprake was van een verdenking als bedoeld in art. 27 Sv onjuist noch onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde, ook in het licht van het gevoerde verweer, geen nadere motivering. Ad 2. Voor zover het middel berust op de opvatting dat gedragingen van een verdachte niet zowel medeplichtigheid aan enig misdrijf waarop het oogmerk van een criminele organisatie was gericht als deelneming aan die organisatie in de zin van art. 140 Sr kunnen opleveren, faalt het, omdat die opvatting onjuist is. Ook overigens faalt het middel. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN ZD0858. Tegen de achtergrond van ‘s Hofs vaststellingen en in het licht van hetgeen is vooropgesteld, is 's Hofs oordeel dat X en de daaraan verbonden natuurlijke personen hebben deelgenomen aan de criminele organisatie als bewezenverklaard onjuist noch onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl