Conclusie A-G Knigge 17 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1315
Conclusie A-G. Herkenning van verdachte door opsporingsambtenaar op camerabeelden. De A-G maakt onderscheid tussen herkenningen van 'goede' bekenden van de politie en herkenningen die in wezen bestaan uit een vergelijking van de verdachte met de persoon die op de beelden te zien is. In deze zaak lijkt van dat laatste type herkenning sprake te zijn. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat de herkenning van de verdachte door drie verbalisanten voldoende betrouwbaar is om voor het bewijs gebruikt te worden, niet zonder meer begrijpelijk. De A-G stelt zich dan ook op het standpunt dat de Hoge Raad het arrest van het hof in zoverre moet vernietigen. Samenhang met 18/03618 en 18/04134.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03545
Zitting 17 december 2019
CONCLUSIE
G. Knigge
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1 De verdachte is bij arrest van 3 augustus 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en onder 2, onder 3 primair en onder 4 primair “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en dienovereenkomstig een betalingsverplichting opgelegd aan de verdachte, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld.
2 Er bestaat samenhang met de zaken 18/03618 (medeverdachte [medeverdachte 1] ) en 18/04134 (medeverdachte [medeverdachte 2] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de gekwalificeerde diefstallen (in vereniging) van drie auto’s: op 4 juli 2014 in Huizen (feit 2) en op 14 oktober 2014 (feit 3) en 21 oktober 2014 (feit 4) in Amsterdam, en in verband daarmee aan deelneming aan een criminele organisatie (feit 1). De bewijsvoering van het hof houdt ten aanzien van de verschillende feiten kort gezegd het volgende in. De verdachte heeft de diefstal in Amsterdam van 21 oktober 2014 bekend. Van de diefstal in Huizen zijn camerabeelden voorhanden waarop drie politieagenten de verdachte en zijn twee mededaders hebben herkend. Van de andere diefstal in Amsterdam op 14 oktober 2014 heeft het hof vastgesteld dat (i) sprake was van dezelfde modus operandi als bij de door de verdachte bekende diefstal op 21 oktober 2014, (ii) de verdachte op die dag een afspraak had met de medeverdachte, (iii) zijn telefoon afstraalde op de plaatsen delict en (iv) verdachte geen verklaringen heeft willen afleggen over wat er zich die ochtend heeft afgespeeld. De deelname aan de criminele organisatie heeft het hof onder meer doen steunen op voornoemde autodiefstallen en verschillende telefoongesprekken met medeverdachten over kort gezegd te stelen en gestolen auto’s.
5 Het middel
5.1 Het middel houdt in dat de bewezenverklaringen van de feiten 1, 2 en 3 niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid en/of dat het hof een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de onbetrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Het middel bestaat dus in feite uit drie middelen. Ik zal het dan ook behandelen aan de hand van drie deelklachten, waarbij ik de klacht tegen de bewezen verklaarde deelname aan een criminele organisatie als laatste bespreek.
5.2 Ten laste van de verdachte is onder 1, 2 en 3 primair bewezen verklaard dat:
“1. hij in de periode van 01 juli 2014 tot en met 16 maart 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- het plegen van gekwalificeerde diefstallen en
- het plegen van opzetheling en
- valsheid in geschrift;
2. hij op 4 juli 2014 te Huizen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Volkswagen (type Golf, kenteken [kenteken 1] ), toebehorende aan [betrokkene 1] , waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels;
3. primair: hij op 14 oktober 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Range Rover (type Evoque, kenteken [kenteken 2] ), toebehorende aan [A] , waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels”
6 Deelklacht 1
6.1 De deelklacht komt op tegen de onder 2 bewezen verklaarde gekwalificeerde diefstal (in vereniging) en spitst zich toe op de verwerping van het verweer dat de herkenning van verdachte door de verbalisanten onbetrouwbaar is. Ik geef eerst de bewijsmiddelen, het gevoerde verweer en de verwerping ervan weer. Daarna maak ik op basis van zaken die bij de Hoge Raad hebben gediend, een onderscheid in typen herkenningen van verdachten door opsporingsambtenaren. Vervolgens kom ik ter zake.
Bewijsvoering
6.2 De bewezenverklaring van feit 2 steunt op de volgende in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2014179882-1 van 6 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 1-5).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 4 juli 2014 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van diefstal van mijn personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, in de kleur grijs en voorzien van het kenteken [kenteken 1] .
Op donderdag 3 juli 2014, omstreeks 23:50, uur parkeerde ik mijn auto in de ondergrondse garage onder het appartementencomplex waar ik woon. Dit is het appartementencomplex dat ligt aan de [a-straat] in Huizen.
Deze ondergrondse garage is volledig afgesloten en is formeel alleen bereikbaar voor de bewoners van het appartementencomplex. Bewoners van het complex zijn in het bezit van een sleutel om in de garage te komen.
Toen ik op vrijdag 4 juli 2014, omstreeks 12:00 uur, terugkwam in de ondergrondse garage en naar mijn auto liep, zag ik dat mijn auto er niet meer stond en kennelijk weggenomen was.
De ondergrondse garage is voorzien van cameratoezicht. Bij de grote garagedeur bedoeld voor in/uitrijdende auto's hangt een camera. Deze camera heeft zicht op het verkeer dat de garage in/uitrijdt. Deze camera heeft ook zicht op een groot gedeelte van de garage zelf.
De bewoners van het appartementencomplex hebben zelf het beheer over deze camerabeelden. Toen ik erachter kwam dat mijn auto weggenomen was, heb ik de camerabeelden bekeken.
Op deze camerabeelden is te zien dat drie personen op vrijdag 4 juli 2014 omstreeks 05:02 à 05:03 uur door de ondergrondse garage lopen. Ik zag op de camerabeelden dat de drie personen uit de richting van de toegangsdeur vanuit het appartementencomplex liepen. Ik zag dat ze achter elkaar in een rechte lijn en direct in de richting van mijn geparkeerde auto liepen. Kort hierop is te zien dat de verlichting van mijn auto ontstoken wordt. Vervolgens is op de beelden te zien dat mijn auto weggereden wordt in de richting van de grote garagedeur. Ik zag dat de garagedeur open ging en dat mijn auto naar buiten gereden werd. Bij het verlaten van de garage passeert mijn auto de camera op korte afstand. Op de beelden zag ik dat er drie personen in mijn auto zaten.
Bijlage goederen:
Chassisnummer: [001] .
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 26DLR14031-1723 van 8 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 9-13).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op bewakingsbeelden (001_R_20140704050100.dav) van de ondergrondse parkeergarage aan de [a-straat] in Huizen is op 4 juli 2014, tussen 05:01 en 05:10 uur, het volgende zichtbaar. Op de camerabeelden zijn personen zichtbaar, die ik herken als [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] en [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] . Te zien is dat de verdachten bij de Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , blijven staan ter hoogte van het bestuurdersportier.
Enkele minuten later is te zien dat de koplampen van de [kenteken 1] gaan branden en dat deze richting de uitgang van de parkeergarage rijdt: Te zien is dat [betrokkene 2] de bestuurder is. Te zien is dat [medeverdachte 1] rechts achterin zit.
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 26DLR14031-2136 van 26 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (ordner Nagekomen stukken 26Tear).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Verbalisant [verbalisant 2] heeft ons, vermoedelijk in de maand mei, bewakingsbeelden (001R 20140704050100.dav) getoond, waarbij door ons één of meerdere personen werden herkend. Vandaag, 26 januari 2016, zijn deze beelden opnieuw aan ons getoond.
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , herkende aan de manier van lopen, zijn kleding en aan zijn uiterlijk de eerste mannelijke persoon als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] . De tweede mannelijke persoon, gekleed in wit t-shirt en donkerkleurige trainingsbroek, werd door mij, door zijn manier van lopen en uiterlijk, herkend als [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] . De derde mannelijke persoon, met een gezet postuur en gekleed in trainingspak, werd eveneens door mij herkend door zijn manier van lopen en zijn uiterlijk als [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] .
Ik, verbalisant [verbalisant 4] , herkende door de manier van lopen, zijn kleding en zijn postuur, de eerste mannelijke persoon als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] . De derde persoon, gezet postuur en gekleed in trainingspak, werd door mij herkend, aan zijn manier van lopen, zijn gezette postuur en aan zijn kleding, als [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] .
Ik, verbalisant [verbalisant 5] , heb de eerste mannelijke persoon herkend door zijn manier van lopen, zijn uiterlijk en zijn kleding, als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 te Amsterdam.
4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 26DLR14031-1661 van 1 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 1-7).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
4.3 Doorzoeking [b-straat 1] [plaats]
Op maandag 16 maart 2015 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in perceel [b-straat 1] in [plaats] . Tijdens deze doorzoeking is onder inbeslagnamecode WI426.09.01.003 een huurcontract inbeslaggenomen. Het betreft een huurcontract van [B] in Bergschenhoek. Het betreft een huurcontract van een Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [kenteken 3] . Het huurcontract is opgemaakt voor [betrokkene 3] met het adres [c-straat 1] , [postcode] te [plaats] . Voornoemd adres betreft het GBA-adres van [betrokkene 2] . [betrokkene 3] is de partner van [betrokkene 4] geboren op [geboortedatum] 1960 in [geboorteplaats] . Laatstgenoemde betreft de moeder van [betrokkene 2] .
5. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL1300- 2015061639-10 d.d. 1 juni 2015 (doorgenummerde pag. 25):
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 17 maart 2015 is aan de [d-straat 1] te Amsterdam een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] in beslag genomen.
6. Een geschrift, zijnde een mutatierapport met registratienummer PL1300-2015061639-1 d.d. 17 maart 2015 (doorgenummerde pag. 26-27):
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 17 maart 2015 trof rapporteur op de [d-straat 1] te Amsterdam de [kenteken 3] aan. Het bleek dat het voertuig voorzien was van valse platen. Het originele kenteken is [kenteken 1] . Een buurtbewoonster vertelde dat het voertuig er zeker al zes maanden stond.
Het voertuig betreft een Volkswagen Golf, met chassisnummer [001] .”
6.3 Blijkens de zich in het dossier bevindende pleitnota heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep het volgende betrouwbaarheidsverweer gevoerd:
“Naar de overtuiging van de verdediging zijn die herkenningen onbetrouwbaar, althans kan daarvan de betrouwbaarheid niet worden vastgesteld, ondanks dat vier agenten menen cliënt in de persoon op de beelden te herkennen, en dat is te meer van belang nu cliënt zijn betrokkenheid bij dit feit ontkent en er geen ander (steun)bewijs is voor de betrokkenheid van cliënt bij dit feit.
Het begint met het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] (zaakdossier blz 9 e.v.) waarin hij de camerabeelden van de parkeergarage beschrijft en waaruit blijkt dat de persoon die hij eerder nog als NNI omschrijft na ruim vier minuten aan camerabeelden, op het moment dat de auto richting de uitgang rijdt, door hem wordt herkend als [verdachte] .
Ter zake die herkenning is allereerst van belang dat [verbalisant 2] deel uitmaakt van het opsporingsteam en dat de NNI door hem wordt herkend aan de hand van een politiefoto. Dat is van belang omdat [verbalisant 2] weet dat cliënt als verdachte in deze zaak wordt aangemerkt, hetgeen ook de reden is dat hij diens politiefoto tot zijn beschikking heeft. Hij gaat derhalve met een zekere verwachting naar de onduidelijke beelden kijken en het ontbreken van een contra- indicatie leidt bij hem tot zijn herkenning, althans u kunt minst genomen niet uitsluiten dat het zo is gegaan.
U heeft de beelden tot uw beschikking en u kunt met mij vaststellen dat de kwaliteit van de camerabeelden iets beter is dan de afdrukken van de stills in het dossier maar nog volstrekt onvoldoende om gelaatstrekken te kunnen onderscheiden van de NNI. Niet op het moment dat die NNI in de richting van de auto loopt maar ook niet op het moment dat de auto voorbij rijdt, en waarvan de politie stelt dat de NNI als bijrijder in die auto zit. Ik zie geen ogen, geen neus, geen mond en kan niet vaststellen of de betreffende man (kort) haar heeft of kaal is omdat dat gedeelte niet te zien is op de beelden, althans met onvoldoende zekerheid is vast te stellen of die persoon haar heeft of dat hij kaal is.
Omdat cliënt ontkent de betreffende NNI te zijn, en omdat hij verklaart niets met dit feit te maken te hebben, heeft de officier van justitie de teamleider gevraagd of de herkenning die door verbalisant [verbalisant 2] is beschreven zou kunnen worden toegelicht, hetgeen niet heeft geleid tot een reactie van [verbalisant 2] zelf maar tot een gezamenlijk proces-verbaal van bevindingen van drie andere agenten, te weten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .
Daarin wordt gerelateerd dat [verbalisant 2] "vermoedelijk in de maand mei 2015" aan deze agenten de camerabeelden heeft getoond. Waarom men denkt dat het vermoedelijk in de maand mei was wordt verder niet duidelijk, waarom [verbalisant 2] die beelden getoond heeft wordt niet duidelijk, en waarom dit alles destijds niet gerelateerd is -gelet op het gestelde in artikel 152 Sv- ook niet, maar duidelijk is wel dat die camerabeelden aan de drie agenten tegelijk is getoond en dat die agenten gezamenlijk tot hun conclusie komen. Dat is uiteraard al een methode die bezwaarlijk kan leiden tot een voldoende betrouwbare uitkomst omdat minst genomen niet kan worden uitgesloten dat er sprake is geweest van enige vorm van onderlinge beïnvloeding.
Er worden door de drie verbalisanten in hun latere proces-verbaal drie onderwerpen genoemd waaraan door hen cliënt in de beelden wordt herkend, te weten zijn manier van lopen, zijn kleding en zijn postuur dan wel zijn uiterlijk.
Ten aanzien van de manier van lopen moet dan worden vastgesteld dat de persoon op de beelden een afwijkend manier van lopen heeft, dat hem onderscheid van andere personen, en dat die afwijkend manier van lopen tevens bij cliënt wordt gezien. Immers alle drie de verbalisanten noemen de manier van lopen onderscheidend, in ieder geval onderscheidend genoeg om als criterium te noemen waarom de man op de beelden cliënt is en niet een ander. Ik heb die beelden gezien en kan niets vaststellen omtrent een afwijkende manier van lopen. Ik stel overigens vast dat ook de agenten daaromtrent niets stellen. Daarop zou kunnen worden gereageerd dat ook cliënt geen afwijkende manier van lopen heeft, hetgeen juist is, maar die vaststelling leidt vervolgens niet tot een criterium om cliënt te kunnen onderscheiden van een willekeurige derde.
Over de kleding wordt door alle drie verbalisanten gesteld dat de persoon een grijs sweatshirt draagt. Op de beelden lijkt het op het moment dat de persoon naar de auto loopt om iets grijs te gaan en op het moment dat de auto langskomt lijkt de bijrijder iets blauws aan te hebben. Het is in ieder geval opmerkelijk te noemen dat alle drie tot de vaststelling komen dat het om iets grijs gaat. Datzelfde geldt minst genomen de vaststelling dat het om een sweatshirt gaat. Ik heb dat niet kunnen vaststellen aan de hand van de beelden. Het kan net zo goed een T-shirt zijn als een poloshirt als iets anders, maar alle drie komen tot de vaststelling dat het een sweatshirt is, hetgeen ook weer een indicatie is dat er sprake is geweest van onderlinge beïnvloeding.
Maar belangrijker dan de vraag om wat voor kledingstuk het gaat, is de vraag waarom dat dan op cliënt wijst. Ik heb nergens in het dossier gelezen dat vastgesteld is dat cliënt op enig moment in een grijs sweatshirt loopt, en bovendien, zou dat al anders blijken, dan moet kunnen worden vastgesteld dat het sweatshirt op de beelden het sweatshirt is dat cliënt toen en daar droeg. Ik stel vast dat er onder hem geen sweatshirt in beslag is genomen en (dus) ook niet het sweatshirt dat op de beelden te zien is. Dat betekent dat dat aspect geen onderscheidend kenmerk kan opleveren om te kunnen komen tot identificatie van cliënt.
Het is in dit kader ook opmerkelijk te noemen dat alle drie de verbalisanten stellen dat zij [verdachte] herkennen aan zijn kleding en dan alleen komen met het vermeende grijze sweatshirt maar niets over de [betrokkene 11] en/of schoenen. Maar dat wordt wellicht veroorzaakt door het feit dat zij gedrieën tezamen het procesverbaal hebben opgesteld; ook dat leidt tot beïnvloeding hetgeen tot uitdrukking komt in de omstandigheid dat zij alleen dezelfde bewoordingen gebruiken, niet alleen hier maar ook ten aanzien van de manier van lopen en het postuur. Voor de waarheidsvinding en dus de betrouwbaarheid hadden zij uiteraard ieder apart een proces-verbaal moeten opmaken.
Als laatste wordt client herkend aan zijn postuur dan wel uiterlijk. Ik heb hiervoor al vastgesteld dat er van de betreffende persoon geen gezichtskenmerken kunnen worden vastgesteld, en dus ook geen onderscheidende gezichtskenmerken. Wat er specifiek is aan het postuur van de NNI kan ik niet vaststellen en is door de verbalisanten ook niet gerelateerd. Waar ten aanzien van de persoon waarin men een medeverdachte meent te zien nog wordt gesteld dat er sprake is van een gezet postuur, wat door mij overigens niet kan worden vastgesteld, wordt dat ten aanzien van de NNI niet gesteld zodat aangenomen moet worden dat dat ten aanzien van die NNI niet het geval is. Wat dat dan is dat die persoon onderscheidt van een ander, en de persoon op de beelden maakt tot cliënt, en dat met voldoende mate van zekerheid is te ontwaren op de beelden, blijkt op geen enkele wijze.
De conclusie is dat de agenten niet aangeven op basis van welke specifieke, onderscheidende, persoonskenmerken zij tot de herkenning komen, terwijl dat volgens vaste jurisprudentie van belang is om de betrouwbaarheid hiervan vast te kunnen stellen.
Ik stel vast dat de Rechtbank zelf niet tot een herkenning is gekomen terwijl ten aanzien van feit 4 door de Rechtbank is overwogen dat de Rechtbank de herkenning door de verbalisant "volmondig (kan) onderschrijven" en tevens "van oordeel (is) dat de bestuurder (..) wel degelijk als zijnde een kale man kan worden omschreven" (vonnis blz 6). A contrario redenerend komt de Rechtbank ten aanzien van onderhavige beelden kennelijk niet tot de eigen waarneming dat cliënt daarop te zien is en/of dat op de beelden een kale man is te zien. Dat is veelzeggend.
De onbetrouwbaarheid van de herkenning vloeit uiteraard ook voort uit de omstandigheid dat men een beperkte groep verdachten op het oog heeft en men die verdachte gaat inpassen die de meeste raakvlakken (of de minste contra- indicaties) heeft met de persoon op de beelden. Daarbij relateren de agenten ook dat cliënt met de andere twee verdachten contact heeft en dat zij in deze samenstelling vermoedelijk betrokken waren bij de diefstal van meerdere personenauto's. Ten aanzien van dat laatste is er geen bewijs, nu ten aanzien van de overige aan cliënt verweten diefstallen geen sprake is van deze combinatie van personen, maar het betekent vervolgens dat de agenten die wel uitgaan van die verkeerde veronderstellingen gelet hierop al met die onjuiste verwachting dat zij mogelijk cliënt gaan zien naar de beelden gaan kijken, waarbij enige gelijkenis of de afwezigheid van contra-indicaties tot een herkenning zal leiden, hetgeen maakt dat een dergelijke methode van herkenning niet tot een betrouwbaar resultaat leidt, althans niet kan worden vastgesteld dat er tot een betrouwbaar resultaat is gekomen.
Daarbij is voorts van belang dat niet is vastgesteld dat de personen uit deze groep verdachten alleen met elkaar strafbare feiten plegen dan wel dat er nog andere personen zijn die met één of meer medeverdachten dergelijke strafbare feiten plegen maar waarvan de identiteit niet is (kunnen worden) vastgesteld. Dat betekent dat de methode waarbij gezocht wordt naar de meeste overeenkomsten van de persoon op de beelden met een persoon in deze verdachtenpoule niet tot een voldoende valide herkenning kan leiden.
U kunt de camerabeelden bekijken en u ziet cliënt hier voor u, en wellicht dat u tot de conclusie komt dat cliënt niet kan worden uitgesloten als zijnde de man op die beelden, maar meer verdergaande conclusies, bijvoorbeeld inhoudende dat er enige gelijkenis is, kunt u in de optiek van de verdediging evenwel niet trekken, laat staan dat geconcludeerd kan worden dat cliënt de persoon op de beelden is. Daarbij komt -het zij herhaald- dat er geen enkel ander (steun)bewijs is in deze zaak.
Ik verzoek u cliënt van dit feit vrij te spreken.”
6.4 Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen met betrekking tot deze bewezenverklaring:
“Diefstal Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken 1] (feit 2)
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor dit feit wordt veroordeeld, en daarbij aangegeven dat aan de herkenning van verdachte op de camerabeelden niet hoeft te worden getwijfeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van dit feit wordt vrijgesproken en daartoe het volgende aangevoerd. De herkenningen door de verbalisanten zijn onbetrouwbaar, althans de betrouwbaarheid kan niet worden vastgesteld. In dat verband heeft de raadsman opgemerkt dat verbalisant [verbalisant 2] de verdachte heeft herkend enkel aan de hand van een politiefoto, terwijl hij wist dat de verdachte als verdachte in deze zaak werd aangemerkt. Hij is met een zekere verwachting naar de onduidelijke beelden, waarop gelaatstrekken van de als verdachte herkende persoon NN1 niet kunnen worden onderscheiden, gaan kijken. De andere drie verbalisanten hebben de beelden gezamenlijk bekeken en zijn gezamenlijk tot de conclusie gekomen. Deze methode kan bezwaarlijk leiden tot een voldoende betrouwbare uitkomst, omdat niet kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van enige vorm van onderlinge beïnvloeding. Dit blijkt onder meer uit het gebruik van dezelfde bewoordingen, maar ook ten aanzien van de door alle drie genoemde manier van lopen en het postuur. Door de verbalisanten genoemde afwijkende manier van lopen met betrekking tot de verdachte is niet op de beelden vast te stellen en overigens niet nader gemotiveerd. Verder herkennen de verbalisanten de verdachte aan zijn kleding (waarbij zij alleen het sweatshirt noemen) terwijl (zo begrijpt het hof de raadsman) de kleur en de aard van de (boven)kleding die NN1 draagt, niet kan worden vastgesteld. De raadsman concludeert dat de verbalisanten niet aangeven op basis van welke specifieke, onderscheidende persoonskenmerken zij tot de herkenning komen. Voorts zijn de verbalisanten met de verkeerde veronderstelling vooraf dat zij mogelijk de verdachte zouden zien, op de beelden gaan kijken wie van de op de beelden voorkomende persoon de meeste raakvlakken met de verdachte had. Deze methode kan niet tot onvoldoende valide herkenning leiden. Voorts ontbreekt ieder steunbewijs.
Oordeel van het hof
In de onderhavige zaak zijn beeldopnames gemaakt van de diefstal van de betreffende auto. Bij de beoordeling van de vraag naar de betrokkenheid van de verdachte bij deze diefstal zijn de herkenningen door verbalisanten gedaan op basis van dit beeldmateriaal van cruciaal belang.
Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat de bepaling van de waarde en betekenis ervan in een brede context plaatsvindt. Dit is inherent aan het karakter van een herkenning. Het gaat daarbij immers om een niet - althans niet volledig - rationeel proces dat zich slechts door reconstructie achteraf laat ontleden en verantwoorden.
Het hof zoekt voor wat betreft het begrip ‘herkennen’ aansluiting bij de in een vakbijlage van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) gegeven omschrijving van dit begrip. In de NFI-vakbijlage ‘Algemene onderzoeksmethoden vergelijking van gezichtsbeelden’ is het volgende opgenomen over ‘herkennen’:
“Herkenning vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld. Gezichtsherkenning van bekende mensen, zoals dat in het dagelijks leven door iedereen plaatsvindt, is een relatief snel en trefzeker ‘holistisch’ proces. De beoordeling vindt snel plaats, door (onbewust) allerlei aspecten af te wegen. De uitkomst van dit proces leidt tot de categorische, stellige uitkomst dat er wel of niet sprake is van herkenning, waarbij de beoordelaar vaak niet expliciet kan uitleggen waarom hij of zij een bepaalde conclusie trekt. (...) Herkenning van personen vindt niet alleen op basis van gezicht plaats, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, handen, lengte, postuur, kleding en manier van lopen en andere, soms onbewuste, voorinformatie zoals de locatie waar een persoon is gezien”.
Op basis van deze begripsomschrijving kan worden geconcludeerd dat verschillende elementen een rol spelen bij een herkenning, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon of waargenomen personen. Hoe meer men van de betrokken persoon of personen een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde kennis waardevoller is, als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is.
Daarnaast kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een herkenning die steun vindt in andere - meer objectieve - bewijsmiddelen, aan waarde wint.
Samengevat betekent dit dat de bewijswaarde en de bewijskracht van de herkenningen in het licht van hun totstandkoming en in samenhang bezien met het overige beschikbare bewijs dienen te worden beoordeeld.
Tegen deze achtergrond acht het hof, anders dan de raadsman heeft bepleit, de herkenning van de verdachte en zijn medeverdachten door de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] betrouwbaar en zal het deze herkenning bezigen tot het bewijs. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Na het bekijken van de beelden ter terechtzitting en de stills in het dossier is het hof van oordeel dat deze beelden voldoende duidelijk zijn om enkele uiterlijke kenmerken van de betreffende drie personen in samenhang te kunnen waarnemen.
Uit het dossier blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] voorafgaand aan het door hen (al dan niet voor de tweede keer) bekijken van de beelden van de diefstal, één of meer van de verdachten in deze zaak hebben gezien en gesproken.
Zo heeft verbalisant [verbalisant 2] samen met verbalisant [verbalisant 4] op 17 maart 2015 en 18 maart 2015 [betrokkene 2] verhoord. De verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] hebben op 6 mei 2015 en 3 juni 2015 [medeverdachte 1] verhoord, en op 25 november 2015 en 26 november 2015 de verdachte.
Verbalisant [verbalisant 5] had op 21 oktober 2014 een ontmoeting gehad met de verdachte en [betrokkene 2] , ten tijde van het wegnemen van de Landrover, type Range Rover Evoque, met het kenteken [kenteken 4] (het hierna te bespreken feit 4).
Toen de verbalisanten dus (al dan niet opnieuw) naar de beelden keken, hadden zij derhalve al daadwerkelijk een of meer ontmoetingen gehad met een of meer van de betreffende verdachten. Verbalisant [verbalisant 3] heeft gerelateerd dat hij de verdachte heeft herkend aan zijn uiterlijk, kleding en manier van lopen. Verbalisant [verbalisant 4] herkende de verdachte aan zijn manier van lopen, kleding en postuur en verbalisant [verbalisant 5] herkende de verdachte aan zijn manier van lopen, uiterlijk en kleding. Voorts heeft verbalisant [verbalisant 2] [betrokkene 2] herkend naar aanleiding van observaties.
Gelet op hetgeen zojuist is opgemerkt ten aanzien van de ontmoetingen van de verbalisanten met één of meer van de verdachten, acht het hof hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de herkenning onvoldoende om aan de betrouwbaarheid van de herkenning te twijfelen. Daarbij komt dat de herkenning door de drie verbalisanten ondersteund wordt door de volgende omstandigheden.
Verbalisant [verbalisant 2] heeft geconstateerd dat op de beelden te zien is dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] een trainingsbroek respectievelijk trainingspak dragen, die respectievelijk dat sterke overeenkomsten vertoont met de trainingsbroek respectievelijk het trainingspak dat bij de doorzoekingen in hun woningen is aangetroffen.
Voorts blijkt uit het dossier dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] op 21 april 2014 betrokken zijn geweest bij de diefstal van een BMW en dat (zoals hierna zal blijken) [betrokkene 2] en de verdachte op 14 oktober 2014 en 21 oktober 2014 betrokken zijn geweest bij de diefstal van twee Range Rovers. Bovendien volgt uit het dossier dat [betrokkene 2] en de verdachte meermalen telefonisch contact met elkaar hebben gehad, waarbij het kennelijk over een auto en (het maken door de verdachte van) kentekenplaten ging (zie eerste aanvulling zaak dossier criminele organisatie, pagina 14, gesprek 13 oktober 2014, 19:23 uur en pagina 15, gesprek [geboortedatum] 2014, 16:05 uur).
Het hof trekt uit het voorgaande de conclusie dat de verdachte in ieder geval [betrokkene 2] kende, dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] elkaar kenden en dat de wederzijdse relaties (mede) een crimineel karakter hadden.
Tenslotte is tijdens een doorzoeking op het adres [b-straat 1] in [plaats] (het verblijfadres van [betrokkene 2] ) een huurcontract in beslag genomen met betrekking tot een Volkswagen Golf, kenteken [kenteken 3] . Dit contract stond op naam van de partner van de moeder van [betrokkene 2] , en vermeldt als adres: [c-straat 1] , [postcode] [geboorteplaats] , het BRP-adres van [betrokkene 2] . De in Huizen ontvreemde Volkswagen Golf is in Amsterdam teruggevonden, voorzien van valse kentekenplaten met daarop het kenteken van deze gehuurde Golf. Dit vormt een krachtige aanwijzing voor de betrokkenheid van [betrokkene 2] bij de diefstal. Gelet op de overige gebleken relaties tussen [medeverdachte 1] , de verdachte en [betrokkene 2] draagt dit tevens bij aan de kwaliteit van de herkenning van de drie personen in de garage in Huizen.
Het enkele feit dat de verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] in hun nadere onderbouwing van de herkenning gelijkluidende aanduidingen hanteren voor hun aanknopingspunten voor herkenning zoals de manier van lopen, het uiterlijk en de kleding, houdt op zich niet in dat sprake is geweest van wederzijdse beïnvloeding. Dit is te minder aannemelijk, nu verbalisant [verbalisant 3] de enige verbalisant is die zowel de verdachte als [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] herkent, terwijl verbalisant [verbalisant 4] alleen de verdachte en [medeverdachte 1] herkent en verbalisant [verbalisant 5] enkel de verdachte herkent.
Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen.”
Verkenning van de jurisprudentie
6.5 Vooropgesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de feitenrechter om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De invoering van de motiveringsplicht van art. 359 lid 2 Sv in 2005 heeft geen wijziging gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de rechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Het voorgaande brengt mee dat de verwerping van een dergelijk betrouwbaarheidsverweer in cassatie slechts beperkt, namelijk op zijn begrijpelijkheid, kan worden getoetst en zelden tot cassatie leidt.
6.6 Klachten over de betrouwbaarheid van verklaringen van opsporingsambtenaren die stellen dat zij de verdachte op camerabeelden of foto’s hebben herkend, zijn bepaald geen zeldzaamheid. De Hoge Raad pleegt die klachten met toepassing van art. 80a RO of art. 81 RO af te doen. Een volledige bespreking van die jurisprudentie gaat het bestek van deze conclusie ver te buiten en zou bovendien, juist vanwege de wijze waarop deze klachten plegen te worden afgedaan, tot weinig dwingende conclusies met betrekking tot het standpunt van de Hoge Raad kunnen leiden. Misschien is de enige conclusie die kan worden getrokken wel dat de Hoge Raad het beoordelen van de betrouwbaarheid van herkenningen tot het domein van de feitenrechter rekent, waarin hij zo min mogelijk wil treden. De vraag is of die terughoudendheid, zo daarvan inderdaad sprake is, terecht is. Bij de betrouwbaarheid van de bedoelde herkenningen kunnen serieus te nemen vraagtekens worden geplaatst. Ik heb daarin aanleiding gevonden voor een voorzichtige verkenning van de jurisprudentie van de Hoge Raad aan de hand van de conclusies die mijn ambtgenoten in de desbetreffende zaken hebben genomen. Ik beoog daarbij enkel om aannemelijk te maken dat er onderscheid gemaakt kan worden in typen zaken en dat er goede reden is om dat onderscheid te maken. Dat doe ik aan de hand van voorbeelden die ik heb ontleend aan (conclusies genomen in) betrekkelijk recente zaken.
Herkenningen van het eerste type
6.7 Een betrekkelijk groot aantal gevallen betreffen herkenningen door opsporingsambtenaren die de verdachte goed kenden van vorige gelegenheden. Een duidelijk voorbeeld biedt de conclusie die voorafging aan HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2251. In deze zaak herkenden twee verbalisanten de verdachte van een print die was gemaakt van camerabeelden en die via een digitale nieuwsbrief binnen het politieapparaat was verspreid. Eén van de verbalisanten had de verdachte tot drie keer toe verhoord, hij en de verdachte groetten elkaar op straat en hadden (ook recent nog) gesprekjes op straat, waarbij de verdachte de verbalisant bij zijn voornaam noemde. Voor de andere verbalisant gold dat hij veelvuldig persoonlijk contact had gehad met de verdachte. Een ander voorbeeld levert HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3695, waarin drie verbalisanten de verdachte herkenden van bij een briefing getoonde foto’s. De ene verbalisant had de verdachte niet alleen meerdere keren op straat gecontroleerd, maar ook diverse keren thuis bezocht in het kader van de controle op de naleving van schorsingsvoorwaarden. De beide andere verbalisanten kenden de verdachte van surveillances in de wijk waarbij zij hem regelmatig zagen en controleerden. Andere voorbeelden zijn te vinden in ECLI:NL:PHR:2016:1066, waarin de verdachte werd herkend door twee wijkagenten die regelmatig op straat contact met hem hadden gehad; ECLI:NL:PHR:2017:801, waarin de verbalisant als wijkagent van de wijk waarin de verdachte woonde veelvuldig contact met de verdachte had gehad; ECLI:NL:PHR:2017:1666, waarin de twee verbalisanten deel hadden uitgemaakt van het jeugdteam en daardoor veel te maken hadden gehad met de jeugd uit de desbetreffende buurt (waartoe ook de verdachte behoorde) en ECLI:NL:PHR:2019:317, waarin drie verbalisanten meermalen werk gerelateerd contact met de verdachte hadden gehad.
6.8 Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen in dit type zaken spelen diverse factoren een rol. Ik noem de intensiteit en de frequentie van de eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte te zien is en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar; met of zonder voorinformatie). Als het gaat om de behoedzaamheid waarmee dergelijke herkenningen voor het bewijs worden gebezigd, speelt uiteraard ook de aanwezigheid van steunbewijs een rol. Daarnaast kan aan de procesopstelling van de verdediging betekenis toekomen. De genoemde zaken verschillen op deze punten in meer of mindere mate van elkaar. Ik werk dat hier niet verder uit. Waar het mij om gaat is dat de herkenning van bekenden op zich een weinig problematische categorie vormt. Het dagelijks leven staat bol van herkenningen van mensen aan wie we eerder zijn voorgesteld en met wie we meer of minder intensief zijn omgegaan. De een is daar beter in dan de ander, en de meesten zijn daar beter in dan ik. Toch slaag ook ik er in om collega’s te herkennen als ik ze in de gang tegenkom en ik meen in alle bescheidenheid te mogen zeggen dat er weinig reden is om aan de betrouwbaarheid van die herkenningen te twijfelen. Zo’n reden is in elk geval niet dat ik meestal niet in staat ben onder woorden te brengen waaraan ik mijn collega’s heb herkend. Dat komt denk ik doordat de meesten van mijn collega’s doorsnee mensen zijn, ten minste als het om hun manier van lopen, hun uiterlijk en hun kleding gaat. Daarin verschillen zij niet opvallend van veel andere mensen, althans niet zoveel dat de herkenning aan de hand van die verschillen te verklaren valt. In elk geval in zoverre kan de stelling van het hof worden onderschreven dat herkenning een “holistisch proces” is dat zich moeilijk laat rationaliseren. Dat ongrijpbare, holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daarop maar zeer ten dele te zien valt, niet behoeft te betekenen dat de herkenning van de verdachte onbetrouwbaar is. Wie iemand heel goed kent, heeft soms maar weinig nodig om hem of haar te herkennen. Dat betekent tegelijk dat de betrouwbaarheid van de herkenning voor een belangrijk deel is gelegen in de persoon die herkent. Dat maakt het begrijpelijk dat de rechter zich in dit type zaken verlaat op het oordeel van de verbalisanten en niet zelf beoordeelt of de verdachte de persoon is die op de camerabeelden te zien is. Het is niet zo dat een opsporingsambtenaar beter in staat is om personen te herkennen dan een rechter, het is wel zo dat een opsporingsambtenaar die de verdachte goed kent, een completer herinneringsbeeld heeft van de verdachte dan de rechter die de verdachte alleen op de zitting heeft gezien.
Herkenningen van het tweede type
6.9 Er zijn ook zaken waarin het niet gaat om herkenning van bekenden van de politie. Een voorbeeld is te vinden in ECLI:NL:PHR:2018:1327. In deze zaak had de verdachte zich bij de politie gemeld omdat hij door anderen was herkend op camerabeelden die door de Omroep Gelderland waren uitgezonden. Tijdens het verhoor van de verdachte herkent de verbalisant de verdachte op enkele prints van de camerabeelden. De herkenning berust hier op een vergelijking van de verdachte met de persoon op de beelden. De vraag is of het resultaat van die vergelijking – die niet wezenlijk verschilt van de controle die douaneambtenaren uitvoeren op basis van een pasfoto – als een herkenning kan worden bestempeld. Gaat het om meer dan de vaststelling dat de persoon die de verbalisant voor zich ziet (grote) overeenkomst vertoont met de persoon op de stills? Het is in elk geval zo dat de persoon van de verbalisant – het herinneringsbeeld dat deze van de verdachte heeft – bij de herkenning geen rol speelt. Alle accent komt daardoor te liggen op de kwaliteit van de beelden en de wijze waarop de persoon in kwestie daarop is afgebeeld (in close up of van veraf; geheel of ten dele; bewegend of ‘verstilld’). Het maakt ook dat er eigenlijk geen reden is om zich op het oordeel van de verbalisant te verlaten in gevallen waarin de verdachte op de zitting aanwezig is. Waarom zou de herkenning door de verbalisant betrouwbaar zijn als de rechter zelf niet kan constateren dat er een grote gelijkenis is tussen de verdachte en de persoon op de beelden?
6.10 Zaken waarin dit type herkenningen speelt, zijn dunner gezaaid dan zaken van het eerst besproken type. Gewezen kan worden op ECLI:NL:PHR:2016:1362, waarin in cassatie de herkenning werd aangevochten die een verbalisant had gedaan op basis van een vergelijking van de pasfoto van de verdachte met een foto die op de briefing was vertoond. Tot dit type zou ik ook een herkenning willen rekenen die aan de orde was in ECLI:NL:PHR:2019:405. Een van de verbalisanten had, “om zich in te leven”, voorafgaande aan het verhoor van de verdachte de camerabeelden bekeken. Toen de verdachte vervolgens voor hem verscheen, herkende hij deze onmiddellijk van de camerabeelden. In dit geval vond weliswaar geen directe vergelijking plaats tussen de verdachte en de camerabeelden, maar het tijdsverschil tussen de waarneming van de beelden en die van de verdachte is klein. Van een herkenning op basis van eerdere bekendheid met de verdachte is in elk geval geen sprake. Aan die herkenning kan dan ook moeilijk meer waarde worden toegekend dan aan de ter terechtzitting gedane constatering van het hof dat de man op de camerabeelden “een sterke gelijkenis vertoont” met de verdachte.
6.11 Hiermee is overigens niet gezegd dat een herkenning die gebaseerd is op een vergelijking van de verdachte met de persoon op de camerabeelden geen bewijswaarde kan hebben. De waarneming dat de verdachte grote gelijkenis vertoont met de persoon op de camerabeelden, kan uiteraard een belangrijke bouwsteen zijn in de bewijsconstructie. Van die constructie in haar geheel hangt af of het verantwoord is om de bewezenverklaring (mede) op een dergelijke herkenning te baseren. Een voorbeeld dat in dit verband de aandacht verdient, is ontleend aan ECLI:NL:PHR:2019:460. De verdachte maakte deel uit van een groep van personen die waren aangehouden op verdenking van lokaalvredebreuk. De door het brandweeralarm gewaarschuwde politie trof de hele groep op de stoep voor het pand aan. De verbalisant bekeek de videobeelden waarop van binnenuit de voordeur zichtbaar was en de personen die daardoor naar binnengingen en vergeleek die beelden met foto’s van de verdachten om zo vast te stellen wie van de verdachten het pand daadwerkelijk hadden betreden. De verdachte werd op die wijze door de verbalisant herkend. De kans dat de verbalisant zich vergiste, is in dit geval bijzonder klein, omdat de groep arrestanten beperkt van omvang was en er vanuit mocht worden gegaan dat de personen die op de videobeelden te zien waren, zich onder de arrestanten bevonden. Ik merk daarbij op dat de verbalisant zich in dit geval in een betere positie bevond om te oordelen dan het hof, dat stills van de videobeelden had vergeleken met een foto op het identiteitsbewijs van de verdachte en had geconstateerd dat er een sterke overeenkomst was tussen de foto van de verdachte en de persoon op de stills. De verbalisant heeft immers alle arrestanten kunnen zien en kon dus nagaan of zich onder die arrestanten iemand bevond die nog meer gelijkenis met de desbetreffende persoon op de videobeelden vertoonde dan de verdachte zelf. Het verweer dat zich onder de arrestanten een ‘lookalike’ bevond, is overigens niet gevoerd. Het hoeft in dit geval dus niet te verbazen dat het hof van oordeel was dat het bewijs overtuigend was.
6.12 Minder overtuigend is naar ik meen de bewijsconstructie in de onder 6.9 genoemde zaak (ECLI:NL:PHR:2018:1327). Hier berustte het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte enkel op de herkenning door de verbalisant. Bij zijn oordeel over de betrouwbaarheid van die herkenning lijkt het hof gewicht te hebben toegekend aan het feit dat de verdachte door anderen was herkend op basis van de door de Omroep Gelderland uitgezonden camerabeelden. Het lijkt daarbij te gaan om herkenningen door mensen die de verdachte (goed) kenden. Die herkenningen kunnen daarom gezien worden als belangrijk steunbewijs. Misschien is daarin de reden gelegen waarom de Hoge Raad het cassatieberoep verwierp. De vraag is echter of de door de verbalisant gedane herkenning op zich er door dat steunbewijs betrouwbaarder op wordt. Zuiverder was het mijns inziens geweest als dat steunbewijs – liefst in de vorm van verklaringen afgelegd door de mensen die de verdachte hadden herkend – in de bewijsconstructie een eigen plaats had gekregen en dat het hof op basis van die herkenningen in combinatie met het – uit de verklaring van de verbalisant af te leiden – feit dat de verdachte sterk lijkt op de man op de camerabeelden de conclusie had getrokken dat de verdachte de dader is.
6.13 Wat voor getuigenverklaringen in het algemeen geldt, namelijk dat in de eigen waarneming van feiten en omstandigheden altijd een element van een conclusie schuilt, geldt in het bijzonder voor verklaringen van verbalisanten die stellen dat zij de verdachte op grond van een vergelijking van (een foto van) de verdachte met camerabeelden hebben herkend op die camerabeelden. Over de vraag of en zo ja in hoeverre een zogeheten concluderende waarneming als bewijsmiddel toelaatbaar is, heeft zich een uitgebreide jurisprudentie ontwikkeld, die wat buiten beeld lijkt te zijn geraakt. Eén van de factoren die bij de beantwoording van die vraag van belang lijkt te zijn, is of het om een conclusie gaat die in de concrete zaak nu juist door de rechter moet worden getrokken. Die factor speelt ook in de zojuist besproken zaak. De verdachte had zich tot de politie gewend met de bewering dat hij door mensen ten onrechte als dader was herkend. Of die bewering klopt, lijkt mij bij uitstek een vraag die de rechter moet beantwoorden. Het is dan onbevredigend als de rechter afgaat op het oordeel van de politie.
Ander type herkenningen
6.14 In de jurisprudentie van de Hoge Raad stuit men een enkele keer op door opsporingsambtenaren gedane herkenningen van verdachten die zich niet goed laten inpassen de gemaakte tweedeling in typen herkenningen. De onder 6.10 al ter sprake gekomen conclusie ECLI:NL:PHR:2019:405 levert ook daarvan voorbeelden. Het strafbare feit waarvan de verdachte werd verdacht, was gepleegd op oudejaarsavond. In april werd de verdachte door twee opsporingsambtenaren verhoord in verband met een andere zaak. Eén van deze opsporingsambtenaren, die destijds een foto van het op oudejaarsavond gepleegde feit had gezien, had toen direct al de idee dat de verdachte de dader van dat feit zou kunnen zijn. Een maand later bekeek deze verbalisant de foto’s van dat feit opnieuw en herkende toen de verdachte onmiddellijk. De bewijswaarde van die herkenning lijkt mij gering, aangezien de vraag is waarvan de verbalisant de verdachte herkende: van het verhoor dat een maand eerder had plaatsgevonden of van de foto die hij al eerder had gezien? De andere opsporingsambtenaar die de verdachte in april had verhoord, bekeek de foto’s van het feit, die hij nog niet eerder had gezien, eveneens een maand later. Ook hij herkende de verdachte, zelfs met meer stelligheid dan zijn collega. De bewijswaarde van die herkenning lijkt mij niet veel groter te zijn dan een herkenning gedaan bij een enkelvoudige fotoconfrontatie. Hoe de Hoge Raad over dit type herkenningen oordeelt, is intussen onzeker. In de zaak waarover het ging, speelden de bedoelde herkenningen slechts een ondergeschikte rol in de bewijsconstructie.
Terug naar de onderhavige zaak
6.15 Het hof heeft geoordeeld dat de herkenning door de verbalisanten van de verdachte op de camerabeelden voor bewijs van het tenlastegelegde feit van “cruciaal belang” is geweest. Inderdaad blijkt alleen uit die herkenning direct van betrokkenheid van de verdachte bij de gekwalificeerde diefstal. Naar aanleiding van het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer, heeft het hof de waarde en de betrouwbaarheid van de herkenning door de verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] onderzocht. Deze verbalisanten hebben de verdachte en zijn mededaders herkend aan de hand van camerabeelden die zij kennelijk gezamenlijk hebben bekeken. Op welke wijze deze camerabeelden door de verbalisanten zijn bekeken, wordt verder niet duidelijk. Het hof acht de herkenningen betrouwbaar en neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de beelden voldoende duidelijk zijn om enkele uiterlijke kenmerken van de desbetreffende drie personen in samenhang te kunnen waarnemen en dat de verbalisanten de verdachte voorafgaand aan het bekijken van de beelden al (meermalen) hebben ontmoet. Gelet daarop geeft het verweer het hof onvoldoende aanleiding om aan de betrouwbaarheid te twijfelen. Hierbij neemt het hof in ogenschouw dat uit overige feiten en omstandigheden is gebleken dat de verdachte één van de andere personen die is herkend op de camerabeelden, medeverdachte [betrokkene 2] , kent, dat zij samen betrokken zijn geweest bij de diefstal van twee andere auto’s (feiten 3 en 4) en dat zij telefonisch contact met elkaar hebben gehad over een auto en kentekenplaten. Ook is vast komen te staan dat de andere twee personen (medeverdachten [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] ) elkaar kenden. Tot slot is van medeverdachte [betrokkene 2] objectief bewijsmateriaal voorhanden (een huurcontract van een auto waarvan de kentekenplaten op de gestolen auto zijn bevestigd) dat op zijn betrokkenheid bij de diefstal duidt. Het hof hanteert daarbij als uitgangspunt dat een herkenning die steun vindt in andere - meer objectieve - bewijsmiddelen, aan waarde wint.
6.16 De kern van de klacht is dat de verwerping van het (on)betrouwbaarheidsverweer met de overweging dat ‘hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de herkenning onvoldoende (is) om aan de betrouwbaarheid van de herkenning te twijfelen’ onbegrijpelijk is. Daartoe worden meerdere argumenten aangevoerd, die grotendeels een herhaling vormen van het gevoerde pleidooi in hoger beroep:
i) het hof heeft overwogen dat de mate van bekendheid met de waargenomen persoon de betrouwbaarheid van de herkenning versterkt, terwijl de persoonlijke ontmoetingen van de verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] met de verdachte zeer beperkt zijn geweest en daarmee feitelijk niet verschillen van de persoonlijke ontmoetingen die het hof zelf met de verdachte heeft gehad; en in verband daarmee:
ii) het hof waagt zich zelf niet aan een herkenning in de vorm van eigen waarneming op grond van de camerabeelden en heeft zich kennelijk ook niet in staat geacht de uiterlijke kenmerken waarvan het van oordeel is dat die op die camerabeelden en stills (foto’s van de bewegende beelden) zijn waar te nemen, te benoemen.
iii) de verbalisanten relateren dat ze de verdachte herkennen aan zijn manier van lopen, zijn kleding en zijn postuur dan wel zijn uiterlijk, maar er wordt niet aangegeven op basis van welke specifieke, onderscheidende persoonskenmerken zij tot herkenning komen.
iv) Het hof heeft ten onrechte niet bij zijn oordeel betrokken het verweer dat het opsporingsteam een beperkte groep verdachten op het oog heeft gehad en dat zij met een bepaald verwachtingspatroon de beelden hebben bekeken.
v) Waarom het aantreffen van een huurcontract met betrekking tot een Volkswagen Golf waarvan de kentekenplaten zijn teruggevonden op de gestolen Volkswagen Golf op de naam van medeverdacht [betrokkene 2] , bijdraagt aan de kwaliteit van de herkenning van de verdachte, ontgaat de steller van het middel.
6.17 Daarnaast draagt de steller van het middel een aantal argumenten aan met betrekking tot de onbetrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 2] . Omdat het hof deze herkenning niet voor het bewijs heeft gebezigd, missen deze klachten feitelijke grondslag. Ik zal mij in het vervolg dus alleen op de bovenstaande klachten richten.
6.18 Van de in de schriftuur aangedragen argumenten snijdt het derde argument, inhoudende dat de verbalisanten geen persoonskenmerken hebben genoemd waaraan zij de verdachte hebben herkend, naar mijn mening geen hout. Het hof heeft uiteengezet dat het herkennen van personen een “holistisch proces” is, “dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen”. Zoals ik onder 6.8 heb aangegeven, komt mij dit juist voor. Ik merk daarbij nog op dat dit naar het mij voorkomt ook opgaat voor herkenningen van het tweede type, die op een vergelijking berusten. Waarop de (al dan niet sprekende) gelijkenis berust, laat zich moeilijk anders dan in algemene termen beschrijven.
6.19 De andere argumenten leggen wel de vinger op de zere plek. Er wordt met juistheid op gewezen dat de contacten die de verbalisanten voorafgaande aan de herkenningen met de verdachte hebben gehad, beperkt zijn geweest. Van een herkenning van wat ik het eerste type heb genoemd, is reeds daarom geen sprake. Daar komt bij dat de contacten die er waren, zich niet bij een eerdere gelegenheid hebben voorgedaan. Voor zover de verbalisanten met de verdachte bekend waren, was dat vanwege het onderzoek naar de strafbare feiten waarvan deze werd verdacht. Ik wijs er daarbij op dat de verbalisanten in hun proces-verbaal van 26 januari 2016 verklaren dat zij de camerabeelden al eerder, in mei, hebben gezien. Dat moet mei 2015 zijn geweest. Het door het hof genoemde contact dat de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] met de verdachte hadden, dateert van daarna: de verdachte werd door hen verhoord op 25 en 26 november 2015. Als moet worden aangenomen dat het om een herkenning op basis van een tijdens de verhoren gevormd herinneringsbeeld gaat, is dat een herinneringsbeeld dat vervuild is door de eerdere kennisneming van de camerabeelden (vgl. punt 6.14).
6.20 De herkenningen in deze zaak vertonen wel enige overeenkomst met de herkenningen van wat ik het tweede type heb genoemd. De verbalisanten lijken hun herinneringen aan de verdachte te hebben vergeleken met de camerabeelden en op basis van die vergelijking conclusies te hebben getrokken. Bij een dergelijke vergelijking speelt, zo betoogde ik, de persoon die herkent, geen rol van betekenis. Meerwaarde kan de herkenning daaraan niet ontlenen (hiervoor, onder 6.8). Dat betekent ook dat, anders dan door de verdediging werd aangevoerd, niet bezwaarlijk is dat de verbalisanten hun herkenningen niet onafhankelijk van elkaar deden. Als, zoals de verdediging bepleitte, de meervoudige kamer van het hof de camerabeelden met de verdachte had vergeleken, had dat tot een conclusie geleid waarover gezamenlijk was beraadslaagd. Dat sprake is van een gezamenlijke conclusie kan zelfs gezien worden als een waarborg voor de juistheid ervan. Bezwaarlijk bij dit type vergelijking is evenmin dat de verbalisanten de beelden niet ‘blanco’ bekeken, maar op voorhand rekening hielden met de mogelijkheid dat zij de verdachte daarop zouden zien. Inherent aan dit type herkenning is dat de beoordelaar weet met wie de beelden worden vergeleken. Dat zou ook het geval zijn geweest als het hof zelf de vergelijking had uitgevoerd. Iets anders is dat men voorzichtig moet zijn met het trekken van conclusies uit een dergelijke vergelijking. Men kan constateren dat de verdachte enige tot zeer veel gelijkenis vertoont met de persoon op de camerabeelden. Of op grond van die gelijkenis kan worden geconcludeerd dat de verdachte die persoon is, is een vraag die, als de verdachte dat ontkent, naar ik meen door de rechter moet worden beantwoord (hiervoor, onder 6.13). De persoonlijke overtuigingen die opsporingsambtenaren over het daderschap van de verdachte kunnen koesteren, mogen uiteraard geen gewicht in de schaal leggen.
6.21 Bij herkenningen van het tweede type komt, juist omdat de persoon van degene die herkent geen waarborg biedt voor de juistheid ervan, veel gewicht toe aan de kwaliteit van de beelden en van de vraag hoe de persoon in kwestie daarop staat afgebeeld (hiervoor, onder 6.9). Het hof zegt daarover enkel dat de beelden “voldoende duidelijk zijn om enkele uiterlijke kenmerken van de betreffende drie personen in samenhang te kunnen waarnemen”. Met die vaststelling kan onder omstandigheden worden volstaan als het om een herkenning van het eerste type was gegaan. Dan is soms maar weinig nodig om iemand te herkennen (hiervoor, onder 6.8). Als het echter om een vergelijking gaat van de verdachte met de persoon op de beelden is die vaststelling bijzonder mager. De vaststelling blijft steken in algemeenheden; op de persoon die door de verbalisanten voor de verdachte is gehouden, is zij niet toegespitst. Welke uiterlijke kenmerken van die persoon op de beelden zijn te zien, blijft onduidelijk. Het verweer van de raadsman dat de gelaatstrekken van die persoon niet zijn waar te nemen, is door het hof dan ook in het midden gelaten, zodat van de juistheid ervan in cassatie moet worden uitgegaan.
6.22 Omdat het bij herkenningen van het tweede type niet aankomt op de persoon van degene die herkent, kan de vergelijking die aan de herkenning ten grondslag ligt, ook, en soms beter, door de rechter worden gedaan (hiervoor, onder 6.9). Het hof heeft de zaak van de verdachte inhoudelijk behandeld op 9, 11, 12 en 13 juli 2018 behandeld en blijkens de processen-verbaal van die zittingen was de verdachte daarbij telkens aanwezig. De contacten van het hof met de verdachte waren dus niet alleen talrijker dan de contacten die de verbalisanten met de verdachte hebben gehad, maar ook van recenter datum. Terwijl verbalisant [verbalisant 5] zich bij de vergelijking moest baseren op de herinnering aan een eenmalig contact dat een jaar en drie maanden eerder had plaatsgevonden, bekeek het hof de camerabeelden op de terechtzitting. Het hof lijkt dus tot een betrouwbaarder vergelijking in staat te zijn geweest dan de verbalisanten. Des te opmerkelijker is het dat het hof niet vaststelt dat de bewuste persoon op de camerabeelden een (grote) gelijkenis vertoont met de verdachte. Dat lijkt te bevestigen dat de camerabeelden een dergelijke vaststelling niet toelaten.
6.23 Het een en ander maakt dat het oordeel van het hof dat de als cruciaal bestempelde herkenningen van de verdachte door de verbalisanten zo betrouwbaar zijn dat zij de bewezenverklaring kunnen dragen, niet zonder meer begrijpelijk is. Ik heb mij nog wel afgevraagd of hetgeen het hof heeft overwogen met betrekking tot omstandigheden die de herkenningen zouden ondersteunen, dit anders maakt. Ik moet daarbij bekennen dat mij niet duidelijk is geworden hoe de desbetreffende overwegingen moeten worden begrepen. Wat het hof overweegt met betrekking tot de kledingstukken die bij doorzoekingen in de woning van twee medeverdachten zijn aangetroffen, kan enige steun opleveren voor de betrouwbaarheid van de herkenning van die medeverdachten op de camerabeelden, maar ik vermag niet in te zien waarom dit steun oplevert voor de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte. Het hof zal toch niet de opvatting zijn toegedaan dat een verbalisant die het in twee gevallen bij het rechte eind heeft, getoond heeft over kwaliteiten te beschikken die maken dat hij het ook in een ander geval goed heeft gezien? Soortgelijke vraagtekens kunnen worden gezet bij hetgeen het hof overweegt met betrekking tot de valse kentekenplaten die op de gestolen auto waren bevestigd. Dit levert een omstandigheid op die zelfstandig kan bijdragen aan het bewijs dat medeverdachte [betrokkene 2] bij de diefstal betrokken was, maar voor de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte levert die omstandigheid geen steun op. Nu sluit ik niet uit dat de overwegingen van het hof anders moeten worden gelezen en begrepen moeten worden in het licht van de algemene overweging van het hof over het belang van de context waarin een herkenning wordt gedaan. Tot die context heeft het hof mogelijk gerekend dat de betrokkenheid van de beide medeverdachten bij de diefstal naar zijn oordeel min of meer vaststaat, dat die medeverdachten elkaar kenden en dat een van de medeverdachten de verdachte kende en dat de onderlinge relaties van de drie verdachten een crimineel karakter hadden. Dat zou in feite betekenen dat het hof de herkenningen betrouwbaar heeft geacht omdat zij passen in het verwachtingspatroon dat de verbalisanten op grond van het in de zaak ingestelde opsporingsonderzoek hadden. Dat echter maakt die herkenning er allesbehalve betrouwbaarder op. Die herkenning is dan niet veel meer dan het konijn dat volgens de verbalisanten in de hoge hoed moest zitten en er daarom door hen werd uit getoverd.
6.24 Ik sluit niet uit dat in de bedoelde overwegingen een eigen bewijsredenering van het hof besloten ligt die er kort gezegd op neerkomt dat, nu de drie medeverdachten criminele relaties met elkaar onderhielden die betrekking hadden op de diefstal van auto’s, het waarschijnlijk is dat de verdachte bij de onderhavige autodiefstal betrokken was en dat dit bevestigd wordt door het feit dat op de camerabeelden een persoon te zien is die enige gelijkenis met de verdachte vertoont. Of die bewijsredenering, had het hof haar in zijn arrest geëxpliciteerd, in cassatie stand zou houden, valt te betwijfelen. Dat zou misschien anders zijn indien als vaststaand zou mogen worden aangenomen dat de groep daders die de autodiefstallen pleegde niet van samenstelling veranderde of althans dat de medeverdachte [betrokkene 2] alleen autodiefstallen pleegde met leden van de criminele organisatie waarop het onderzoek betrekking had en de verbalisanten hadden vastgesteld dat het enige lid van de criminele organisatie dat een (beetje) op de persoon op de camerabeelden leek, de verdachte was. Maar hoe dat ook zij, de bewijsnood waarvan in deze zaak sprake is kan bezwaarlijk worden verholpen door het aan de rechter voorbehouden bewijsoordeel te gieten in de vorm van een herkenning door de betrokken opsporingsambtenaren, zodat volstaan kan worden met de overweging dat “hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de herkenning onvoldoende [is] om aan de betrouwbaarheid van de herkenning te twijfelen”.
6.25 De eerste deelklacht slaagt.
7 Deelklacht 2
7.1 De deelklacht houdt in dat de onder 3 primair bewezen verklaarde gekwalificeerde diefstal (in vereniging) niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
7.2 De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“7. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2018.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 14 oktober 2014 had ik een afspraak met [betrokkene 2] . Hij zei dat hij onderweg was en over drie kwartier zou komen.
De Smart Forfour was [betrokkene 2] ’s auto.
8. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2014252051-1 van 14 oktober 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (doorgenummerde pag. 47-49).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 14 oktober 2014 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 5] , zakelijk weergegeven:
Ik ben namens [A] gerechtigd tot het doen van aangifte. De auto is eigendom van [A] Op 14 oktober 2014 te 11:15 uur parkeerde ik de auto in de parkeergarage Gustav Mahlerlaan te Amsterdam. Ik had de auto deugdelijk afgesloten en in goede orde achtergelaten. Op 14 oktober te 14:00 uur kwam ik terug bij de plaats waar ik de auto had achtergelaten. Ik zag dat de auto was weggenomen.
Bijlage goederen:
Merk/type: Land Rover Range Rover Evo (het hof begrijpt: Evoque)
Kleur: Zwart Kenteken: [kenteken 2]
Chassisnummer: [002] Bouwjaar: 2013.
9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 26DLR14031-835 van 10 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 1-24).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
4.1 Op 13 oktober 2014 omstreeks 19:23 uur belt [betrokkene 2] met een onbekende man ( [telefoonnummer 1] ).
[betrokkene 2] zegt: die man komt woensdag, hij had vragen over die sleutels of zoiets.
NN vraagt: hoe is het gegaan met die Portugees?
[betrokkene 2] zegt: ja die man vraag de hele tijd dingen man.
NN zegt: ik hoor je had ook wat voor die Afrikaan geregeld?
[betrokkene 2] zegt: ik had wat voor je, maar die kaolo koelie doet lau. Ik had een 3-dingetje voor hem.
NN vraagt: die zonder dak?
[betrokkene 2] zegt: Ja die, maar met harde dak.
NN zegt: ja slimmerik, die hadden we toch zelf kunnen doen?
NN zegt: oké, ik zie je morgen sowieso toch?
[betrokkene 2] zegt: ik zal half 10 bij jou zijn.
[betrokkene 2] zegt: dan gaan we ff snel tempo doen, want ik heb een hele lijst.
Op 14 oktober 2014 omstreeks 08:45 uur belt [betrokkene 2] met een onbekende man ( [telefoonnummer 1] ).
[betrokkene 2] zegt dat hij onderweg is en over drie kwartier daar is. NN-man5853 zegt dat [betrokkene 2] moet bellen als hij een kwartier hier vandaan is, dan gaat NN-man5853 douchen.
Noot verbalisant: telefoonnummer [telefoonnummer 1] is in gebruik bij [verdachte] , woonachtig op de [e-straat] te [plaats] .
Op 14 oktober 2014 omstreeks 12:43 uur belt [betrokkene 2] vanuit een locatie in Amsterdam met een onbekende man (*2950).
[betrokkene 2] vraagt: Heb je hen/die (“them”) gezien? NN gaat het nu bekijken. [betrokkene 2] zegt dat hij zijn best heeft gedaan voor NN. Het is een kleine, automaat, benzine, 2013, veertigduizend (40.000) op de teller. [betrokkene 2] zegt: dus je moet ’t vandaag onmiddellijk ophalen. [betrokkene 2] zegt: ’t Is die kleine, de Evoque.
Op 14 oktober omstreeks 14:01 wordt [betrokkene 2] gebeld door een onbekende man ( [telefoonnummer 2] ). [betrokkene 2] zegt: ik kom net van die kale man. NN man vraagt: is het gelukt? [betrokkene 2] zegt: sowieso, ja toch.
Op 17 oktober 2014 omstreeks 10:30 uur wordt [betrokkene 2] ( [telefoonnummer 3] ) gebeld door een onbekende man ( [telefoonnummer 4] ).
NN*4177 is gebeld door Bolle en die heeft gezegd dat [betrokkene 2] de Afrikaan al twee dagen heeft laten wachten. [betrokkene 2] zegt dat het aan die Afrikaan ligt, van [betrokkene 2] mocht hij het gelijk dezelfde dag meenemen.
Op 20 oktober 2014 omstreeks 21:55 uur wordt [betrokkene 2] ( [telefoonnummer 3] ) gebeld door een onbekende man ( [telefoonnummer 4] ).
K: Ja hij is 'hij' is daar he.
N: Waar is ie?
K: Ja daar zo toch. Hij belt me net.
N: Hoe bedoel je, hij belt. Ik heb net nummer gegeven om me te bellen als hij onderweg is.
K: Ik heb het over die boekoe he. Over die Afrikaan he.
N: Oh oh die Afrikaan bedoel je, en?
K: Hij is nu daar toch. Hij zegt wat is dit. ..ntv.. is er niet. Ik zeg ooh hij was er nog net. Hij was er nog gister zei ik tegen hem.
N : En nu wat zegt ie?
K: Hij zegt maybe the another guy knows, weet. Hij zegt misschien weetje iets ofzo. Ik zeg, ik ga hem bellen.
N: Wat moet ik weten vriend? Jij hebt de sleutel. Wat moet ik weten, grapjas.
K: Wat moet ik hem zeggen?
N: Wat moet ik zeggen. Ik weet van niks vriend, hij was er gisteren nog.
4.3 Camerabeelden - Q-park en Mercure Hotel
Bij de betrokken ondernemingen zijn de camerabeelden gevorderd en verstrekt.
Hierbij werd vastgelegd dat de betrokken Range Rover Evoque ( [kenteken 2] ) op 14 oktober 2014 omstreeks 11:26 uur in de Q-park-garage naar boven rijdt in de richting van de uitgang. Omstreeks 11:34 en 11:35 uur wordt gezien dat [betrokkene 2] een parkeerkaart betaalt bij de automaat. Omstreeks 11:39 uur rijden de Range Rover Evoque en de Smart Forfour achter elkaar de parkeergarage uit.
Omstreeks 12:47 uur komt er bij de slagboom van het parkeerterrein van het Mercure Hotel een grijze Smart Forfour, kenteken [kenteken 5] aan rijden, gevolg door de Range Rover Evoque voorzien van het kenteken [kenteken 2] . De bestuurder van de Range Rover Evoque wordt herkend als [betrokkene 2] . Omstreeks 12:52 uur wordt gezien dat de Smart Forfour het parkeerterrein afrijdt.
4.5.2 Omstreeks 12:06 uur vindt er een contactmoment plaats, waarbij het telefoonnummer [telefoonnummer 4] gebruikmaakt van de GSM-zendmast aan de Gustav Mahlerlaan 38 te Amsterdam. Vervolgens is er om 12:08, 12:09 en 12:10 uur weer een contactmoment waarbij respectievelijk gebruikgemaakt wordt van de GSM-zendmasten aan de De Boelelaan 1100, De Klencke 111 en de Barbara Strozzilaan 251 te Amsterdam. Deze GSM-zendmasten liggen in de nabijheid van de parkeergarage Q-park aan de Gustav Mahlerlaan te Amsterdam. Omstreeks 12:48 uur is er een contactmoment waarbij het telefoonnummer [telefoonnummer 4] gebruikmaakt van de GSM-zendmast aan de Sloterweg 1043 te Amsterdam. Deze zendmast ligt nabij het Mercure Hotel aan de Oude Haagseweg 20 te Amsterdam.
Hierna is te zien dat er nog twee contactmomenten zijn, om 12:56 uur en 12:57 uur, waarbij het telefoonnummer [telefoonnummer 4] gebruikmaakt van de GSM-zendmasten aan de Louis Bouwmeesterstraat 377 en de Poeldijkstraat 9a-253 te Amsterdam. Deze zendmasten liggen in de nabijheid van de woning van [verdachte] , namelijk de [e-straat] te Amsterdam.
4.5.4 Gezien de vergelijking van de nummers [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 1] kan worden gesteld dat deze beide telefoonnummers in gebruik zijn bij dezelfde persoon, namelijk [verdachte] .
5.2 Op 24 oktober 2014 werd tijdens een snelheidscontrole een Range Rover Evoque, zwart van kleur, en voorzien van het kenteken [kenteken 6] , uit het verkeer genomen. Uit een onderzoek bleek dat het chassisnummer niet overeenkwam met het kenteken [kenteken 6] . Op 25 november 2014 is de Range Rover nader onderzocht. Middels een uitleesapparaat kon met het originele vin-nummer herleiden, namelijk [002] . Dit vin-nummer hoort bij de zwarte Range Rover Evoque, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , die is weggenomen op 14 oktober 2014 te Amsterdam. Bij het ID-onderzoek aan de in beslag genomen Range Rover Evoque bleek dat de afgelezen kilometerstand van dit voertuig 40.643 betrof. Dit komt overeen met hetgeen [betrokkene 2] zegt in een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 14 oktober 2014 omstreeks 12:43 uur, dat de auto van 2013 is met 40.000 op de teller.
6. Bij een observatie, d.d. 21 oktober 2014, wordt [verdachte] gezien in een Smart Forfour, voorzien van het kenteken [kenteken 5] .
Verder blijkt uit de verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] , in gebruik bij [verdachte] , dat dit ten tijde van de diefstal van de Range Rover Evoque aanstraalt op een zendmast nabij de Q-park-garage in Amsterdam.
Wanneer de Smart Forfour samen met de Evoque omstreeks 12:47 uur het parkeerterrein van het Mercure Hotel op rijdt, straalt het toestel [telefoonnummer 4] omstreeks 12:48 uur aan op de zendmast Sloterweg 1043 te Amsterdam.
10. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 26DLR14031-721 van 25 november 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 38-46).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op vordering van de Officier van Justitie zijn de camerabeelden d.d. 14 oktober 2014 van Q- park, Gustav Mahlerlaan te Amsterdam en het Mercure hotel te Amsterdam veiliggesteld. Op de camerabeelden, d.d. 14 oktober 2014, is door de verbalisant het onder meer het volgende gezien. 11:17 uur: Een grijze Smart Forfour rijdt de Q-park garage binnen;
11:26 uur: Een zwarte Landrover Evoque (het hof begrijpt: de later weggenomen auto) rijdt in de garage op-1 langs de betaalautomaat;
11:33 uur: De grijze Smart Forfour rijdt in de parkeergarage naar boven richting uitgang en 1 minuut later rijdt hij op -1 langs de betaalautomaat.
11:34/11:35 uur: Een man die later wordt herkend als [betrokkene 2] komt aanlopen uit de richting waar de grijze Smart Forfour naar toereed en houdt zich even op bij de betaalautomaat.
11:39: De grijze Smart Forfour en de zwarte Landrover Evoque met kenteken [kenteken 2] rijden achter elkaar de Q-park-garage uit.
12:47 uur: Een grijze Smart Forfour, kenteken [kenteken 5] komt aan bij de slagboom van hotel Mercure. Daarachter rijdt een zwarte Landrover Evoque, kenteken [kenteken 2] .
12:47 uur: De bestuurder van de Landrover trekt een kaartje en wordt herkend als [betrokkene 2] ;
12:52 uur: De grijze Smart Forfour, kenteken [kenteken 5] verlaat het parkeerterrein van het Mercure hotel.”
7.3 Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen met betrekking tot deze bewezenverklaring:
“Diefstal Range Rover, type Evoque, kenteken [kenteken 2] (feit 3)
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van dit feit wordt veroordeeld. Als gekeken wordt naar feit 4, welk feit de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend te hebben gepleegd, is sprake van een overeenkomende modus operandi. Bij beide feiten is gebruikgemaakt van door [betrokkene 2] verhuurde (het hof begrijpt gehuurde) Smart Forfour, die op enig moment door de verdachte wordt bestuurd. Verder zijn er tapgesprekken tussen [betrokkene 2] en de verdachte, en stralen hun telefoons in beide gevallen een zendmast in de buurt van het delict aan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van dit feit wordt vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De door de rechtbank genoemde modus operandi, die opvallende overeenkomsten zou vertonen met de modus operandi met betrekking tot de door de verdachte bekende diefstal op 21 oktober 2014, wijst niet op betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal op 14 oktober 2014. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is geweest van een ontmoeting tussen [betrokkene 2] en de verdachte. De door de rechtbank voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken leveren geen bewijs op dat verdachte de auto gestolen heeft. Het enkele feit dat de telefoon van de verdachte een zendmast heeft aangestraald in de directe omgeving van de plaats-delict, is onvoldoende bewijs dat de verdachte in de Smart Forfour heeft gereden ten tijde van het delict. Nu in het dossier minst genomen nog een persoon voorkomt die ook, net als de verdachte, "de kale" wordt genoemd, blijkt niet dwingend dat in de in meerdere telefoongesprekken met "de kale" aangeduide persoon niemand anders dan de verdachte kan zijn.
Oordeel van het hof
Blijkens de voor de bewezenverklaring van feit 4 gebezigde bewijsmiddelen, welk feit de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend, heeft de verdachte op 21 oktober 2014 samen met [betrokkene 2] op een parkeerterrein aan de Beethovenstraat in Amsterdam een Landrover Range Rover Evoque (hierna te noemen: Landrover) weggenomen. Na de diefstal wordt gezien dat de verdachte achter [betrokkene 2] aan rijdt in een door [betrokkene 2] gehuurde Smart Forfour, met kenteken [kenteken 5] . Beide auto's zijn eerst naar het parkeerterrein van het Mercure Hotel in Amsterdam gereden, en vervolgens naar de parkeergarage van het Steigenberger Airport hotel Amsterdam. Korte tijd later rijdt [betrokkene 2] de weggenomen auto, weer naar het parkeerterrein van het Mercure Hotel, Oude Haagseweg 20, Amsterdam alwaar de auto geparkeerd wordt. [betrokkene 2] wordt even later op het terrein van een BP-tankstation door de verdachte in de Smart Forfour opgepikt.
Uit de voor de bewezenverklaring van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren.
Op 13 oktober 2014 omstreeks 19:23 uur bellen [betrokkene 2] en de verdachte met elkaar. Zij spreken kennelijk over het regelen van auto's, waarbij [betrokkene 2] opmerkt dat hij een "drie dingetje" voor een Afrikaan had, met hard dak, waarop verdachte zegt: “Die hadden we toch zelf kunnen doen?”. [betrokkene 2] zegt vervolgens dat zij die ook kunnen doen. De verdachte en [betrokkene 2] spreken daarop voor de dag erna af. [betrokkene 2] zal om 9:30 uur bij de verdachte zijn. [betrokkene 2] geeft aan dat zij dan "even snel tempo doen, want ik heb een hele lijst". Op 14 oktober 2014 omstreeks 8:45 uur belt [betrokkene 2] met de verdachte en zegt hij dat hij onderweg is en er over drie kwartier is. De verdachte geeft aan dat [betrokkene 2] moet bellen als hij een kwartier "hier" vandaan is, dan gaat de verdachte douchen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij die ochtend een afspraak met [betrokkene 2] had.
Op 14 oktober 2014 is volgens de aangifte tussen 11:15 uur en 14:00 uur een Landrover, kleur zwart, bouwjaar 2013, weggenomen. De auto stond geparkeerd in de parkeergarage aan de Gustav Mahlerlaan in Amsterdam.
Op de camerabeelden van de parkeergarage waar de Landrover is weggenomen is te zien:
11:17 uur: een grijze Smart Forfour rijdt de garage binnen;
11:26 uur: een zwarte Landrover (het hof begrijpt: de later weggenomen auto) rijdt de parkeergarage binnen op -1 langs de betaalautomaat;
11:33 uur: de Smart Forfour rijdt naar boven richting uitgang en rijdt vlak daarna langs de betaalautomaat;
11:34/11:35 uur: [betrokkene 2] komt aanlopen uit de richting waar de Smart Forfour naar toe reed en houdt zich even op bij de betaalautomaat;
11:39 uur: de Smart Forfour en de zwarte Landrover rijden achter elkaar de garage uit;
12:47 uur: een grijze Smart Forfour met kenteken [kenteken 5] komt aan bij de slagboom van Hotel Mercure. Daarachter rijdt de weggenomen Landrover, bestuurd door [betrokkene 2] . Gelet op het feit dat deze grijze Smart Forfour samen met de weggenomen Landrover bij het parkeerterrein aankomt, gaat het hof ervan uit dat het hier om dezelfde Smart Forfour gaat die om 11:39 de parkeergarage waar de Landrover is gestolen heeft verlaten;
12:47 uur: [betrokkene 2] trekt een kaartje;
12:52 uur: de Smart Forfour verlaat het parkeerterrein van het Mercure Hotel.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 4] , in gebruik bij de verdachte, straalt om 12:06 uur, 12:08 uur, 12:09 uur en 12:10 uur aan op zendmasten nabij de garage waar de Landrover is gestolen. Wanneer de Smart Forfour samen met de weggenomen auto omstreeks 12:47 uur het parkeerterrein van het Mercure Hotel oprijdt, straalt het toestel met nummer [telefoonnummer 4] omstreeks 12:48 uur aan op de zendmast Sloterweg 1043 te Amsterdam, nabij het Mercure-Hotel. Om 12:56 en 12:57 uur straalt het nummer [telefoonnummer 4] zendmasten aan in de nabijheid van de woning van de verdachte.
Omstreeks 12:43 uur belt [betrokkene 2] met een onbekende man (gebruiker 2690). [betrokkene 2] vraagt of hij ze gezien heeft, en de onbekende gaat het nu bekijken. [betrokkene 2] zegt dat hij zijn best heeft gedaan voor hem, het is een kleine, automaat, benzine, 2013, en 40.000 op de teller. De onbekende moet het vandaag onmiddellijk ophalen. Het is de kleine, de Evoque, aldus [betrokkene 2] . Uit een onderzoek dat later aan de inmiddels in beslag genomen Landrover is verricht, is gebleken dat de afgelezen kilometerstand 40.643 was.
Uit al het voorgaande volgt dat de diefstal van de Landrover op 21 oktober 2014 opmerkelijke overeenkomsten vertoont met de diefstal van eenzelfde soort Landrover op 14 oktober 2014. In beide gevallen is [betrokkene 2] degene die de auto wegneemt, en treedt dezelfde Smart Forfour op als volgauto. De gestolen auto wordt beide keren veiliggesteld op de parkeerplaats van hetzelfde Mercure Hotel in Amsterdam, waar vandaan enkel de Smart Forfour weer vertrekt. Nu de verdachte degene is geweest die de Smart Forfour op 21 oktober 2014 heeft bestuurd, hij de ochtend van 14 oktober 2014 een afspraak had met [betrokkene 2] , de door hem gebruikte telefoon die dag rond het tijdstip van de diefstal zendmasten aanstraalt vlakbij de garage waar de auto is gestolen en zijn telefoon later een zendmast aanstraalt ter hoogte van het parkeerterrein van het Mercure Hotel waar de auto naartoe wordt gebracht, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die ook op 14 oktober 2014 de Smart Forfour heeft bestuurd, en gelet op de nauwe samenwerking met [betrokkene 2] , zoals die blijkt uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, de diefstal van ook deze Landrover heeft medegepleegd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [betrokkene 2] niet is komen opdagen en heeft het daarbij gelaten. Verdere vragen over de gang van zaken die ochtend, daaronder begrepen de voor hem belastende bewegingen van zijn telefoon, heeft hij niet willen beantwoorden.
Gelet op het voorgaande worden de verweren van de raadsman verworpen.”
7.4 De kern van de klacht is dat de bewijsmiddelen onvoldoende redengevend zijn om tot bewijs van de (medepleegde) gekwalificeerde diefstal te komen, omdat daaruit niet van betrokkenheid van de verdachte blijkt.
7.5 Anders dan de steller van het middel betoogt, kan naar mijn oordeel genoegzaam uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte samen met medeverdachte [betrokkene 2] de betreffende diefstal van de Range Rover op 14 oktober 2014 heeft gepleegd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft overwogen dat (i) de verdachte op de bewuste ochtend een afspraak had met medeverdachte [betrokkene 2] , die is herkend op de camerabeelden van de diefstal, en dat hij verdere vragen over de gang van zaken die ochtend, daaronder begrepen de voor hem belastende bewegingen van zijn telefoon, niet heeft willen beantwoorden, (ii) dat de diefstal is gepleegd met eenzelfde modus operandi als de diefstal een week later, waarvan de verdachte heeft bekend de bestuurder van de Smart Forfour te zijn geweest en (iii) dat de door verdachte in gebruik zijnde telefoon die dag rond het tijdstip van de diefstal zendmasten aanstraalde vlakbij de garage waar de Range Rover is gestolen en zijn telefoon later een zendmast aanstraalde ter hoogte van het parkeerterrein van het Mercure Hotel waar de auto naartoe werd gebracht. Daaraan doet niet af dat, zoals wordt betoogd, blijkens bewijsmiddel 9 de telefoon van verdachte omstreeks 12:06 uur een zendmast in de buurt van de parkeergarage waar de Range Rover is gestolen afstraalde, terwijl de Range Rover en de Smart Forfour al omstreeks 11:39 uur de parkeergarage uitreden. Het feit dat de verdachte zich na 11.39 uur enige tijd in de buurt van de parkeergarage heeft opgehouden (hetgeen ook blijkt uit het in hetzelfde bewijsmiddel gerelateerde feit dat om 12:08 uur, 12:09 uur en 12:10 uur weer een contactmoment heeft plaatsgevonden met de enkele minuten daarvandaan gelegen zendmasten aan respectievelijk de De Boelelaan 1100, De Klencke 111 en de Barbara Strozzilaan 251 te Amsterdam) laat immers de mogelijkheid onverlet dat de verdachte om ongeveer 11.39 uur met één van de auto’s de parkeergarage is uitgereden. Nu niet is aangevoerd dat de tijd gelegen tussen 12.10 uur en 12.47 uur te kort is om de afstand tussen de parkeergarage en het parkeerterrein van het Mercure hotel met een auto te overbruggen, behoefde het hof zich daarover niet uit te laten. Anders dan de steller van het middel betoogt, kan het aanstralen van zendmasten, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, dan ook wel degelijk bewijs opleveren voor betrokkenheid van de verdachte bij het strafbare feit.
7.6 Het middel faalt in zoverre.
8 Deelklacht 3
8.1 De deelklacht komt op tegen het onder 1 bewezen verklaarde deelnemen aan een criminele organisatie.
De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1021
- HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780
- Conclusie A-G Hofstee 14 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:460
- HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:596
- HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:468
- Conclusie A-G Hofstee 12 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:228
- Conclusie A-G Keulen 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:405
- Conclusie A-G Harteveld 12 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:317
- HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:85
- HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2251
- Conclusie A-G Paridaens 27 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1327
- Conclusie A-G Vegter 30 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1353
- HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1378
- HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3695
- Conclusie 19 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1666
- Conclusie 21 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1625
- HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:2686
- Conclusie 23 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:801
- HR 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:3084
- Conclusie 4 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1362
Aangehaald in
- Rb. Rotterdam 29 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11817
- Conclusie A-G Aben 22 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1101
- Conclusie A-G van Wees 17 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:922
- Rb. Rotterdam 7 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13065
- Rb. Midden-Nederland 1 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6802
- Rb. Amsterdam 23 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4496
- Rb. Amsterdam 25 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:818
- Conclusie A-G Frielink 7 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:31
- Hof Den Haag 23 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1814
- Hof Arnhem-Leeuwarden 21 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4874