HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709
Overleggen van stukken van overtuiging, art. 414.1 Sv. Na dupliek legt verdachte stukken over. Het Hof neemt deze in ontvangst maar geeft te kennen er bij de beraadslaging geen acht op te zullen slaan. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2000, 214 m.b.t. de bevoegdheid stukken te overleggen. De rechter in hoger beroep zal een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren a.d.h.v. de in dat arrest genoemde maatstaf, te weten of aan de eisen van een goede procesorde is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan het soort (be- of ontlastende) stukken en, indien het om belastende stukken gaat, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken. Het Hof heeft i.c., nadat het de overlegging van de stukken had toegestaan, geoordeeld dat het bij de beraadslaging geen acht zal slaan op hun inhoud. Dat leidt tot nietigheid van het ottz. in h.b. en de n.a.v. daarvan gegeven uitspraak. De HR merkt op dat indien in een geval als i.c. tijdens de beraadslaging blijkt dat de overgelegde stukken verweren bevatten, de verwerping van die verweren geen motivering behoeft, aangezien die verweren niet ttz. zijn voorgedragen (vgl. HR NJ 2006, 82). Hetzelfde geldt voor uossen en verzoeken die in dergelijke stukken mochten zijn vervat. Indien de rechter daartoe aanleiding vindt, zal hij op de voet van art. 346 Sv kunnen bevelen dat het ottz. wordt hervat. Conclusie AG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl