HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0656
OM-cassatie en cassatie verdachte. Tallon-criterium. Uitlokking. Art. 359a Sv. In aanmerking genomen dat het Hof zijn beslissing mede heeft doen steunen op de omstandigheid dat verdachte "niet tijdig [is] geïnformeerd door het OM over de handelwijze van de CIE-informant en dat had wel gemoeten omdat die informatie (zoals blijkt uit het vonnis van de Rb) van invloed had kunnen zijn op de te nemen eindbeslissing en (daardoor) op beslissingen inzake de voorlopige hechtenis", en dat volgens het Hof niet gezegd kan worden dat verdachte "door toedoen van de informant is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet gericht was", is 's Hofs oordeel dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, niet begrijpelijk. Daarbij verdient opmerking dat hetgeen het Hof voorts nog heeft overwogen en in het bijzonder zijn keuze van "de zwaarst mogelijke sanctie, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het OM" teneinde "zowel de CIE als het OM te doordringen van de ernst van de situatie", onvoldoende grond oplevert voor de n-o-verklaring van het OM in de vervolging van verdachte.
De uitspraak op rechtspraak.nl