HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0898
1. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM en beroep op rechtsdwaling. 2. Gebruik verklaring van verdachte als bewijs. Ad 1. Het middel klaagt terecht dat de Ktr heeft verzuimd te beslissen op het beroep op niet-ontvankelijkheid OM. Echter tot cassatie behoeft de klacht niet te leiden, nu de Ktr het verweer slechts had kunnen verwerpen, omdat hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd niet kan leiden tot het oordeel dat - zoals is aangevoerd - te dezen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het subsidiair aangevoerde is door de Ktr klaarblijkelijk niet opgevat als een verweer waarop ingevolge art. 358.3 jo. 359.2 Sv bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing dient te worden gegeven. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk reeds gelet op het feit dat verdachte slechts een beroep heeft gedaan op ‘dwaling’, maar daarbij niet heeft betoogd dat hij heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid t.a.v. de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (vgl. HR NJ 1995, 631), waarvan sprake kan zijn indien hij is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat hij in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen (vgl. HR NJ 1961, 416). Ad 2. In het pv ttz. is, anders dan de aantekening van het mondeling vonnis vermeldt, niet een aldaar door verdachte afgelegde verklaring gegeven, zodat aangenomen moet worden dat de aantekening mondeling vonnis in zoverre steunt op een misslag. Voorts mag ingevolge art. 3.d Regeling aantekening mondeling vonnis (Stcrt. 1996, 197) in de aantekening van het mondeling vonnis voor de inhoud van de bewijsmiddelen worden verwezen naar het pv ttz. en andere processtukken, zoals i.c. het genoemde pv van bevindingen van de politie waarin de verklaring van verdachte is opgenomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl