HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4030
Relatieve bevoegdheid. ’s Hofs oordeel dat de Rb te Utrecht o.g.v. art. 2.1 Sv bevoegd was van de tlg. feiten kennis te nemen nu de verdachte in Utrecht is aangehouden en verhoord, is onjuist, daar de in art. 2 Sv voorkomende clausule ‘die binnen welker rechtsgebied de verdachte zich bevindt’, waarop ’s Hofs oordeel kennelijk steunt, moet worden begrepen als ‘waar de verdachte zich bevindt op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem wordt aangevangen’(vgl. HR LJN AC1992). Dat leidt evenwel niet tot cassatie aangezien ’s Hofs oordeel juist is. De HR heeft daarbij in aanmerking genomen (i) de omstandigheid dat de relatieve competentie moet worden beoordeeld op de grondslag van de t.l.l. zoals die – in voorkomend geval met inachtneming van art. 322.4 Sv - luidt t.t.v. de behandeling van de zaak in 1e aanleg, en (ii) hetgeen de inleidende dagvaarding i.c. inhoudt omtrent de plaats
De uitspraak op rechtspraak.nl