HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3862

Art. 6 WVW 1994, tezamen en in vereniging. Het Hof heeft voor zijn oordeel dat verdachte “tezamen en in vereniging” met een ander het bewezenverklaarde heeft begaan, niet alleen acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachte ieder in hun eigen auto snel en gezamenlijk zijn opgetrokken, zij (nadat medeverdachte verdachte had ingehaald) zeer dicht achter elkaar zijn blijven rijden en zij ook overigens hun rijgedrag wederzijds op elkaar hebben afgestemd, maar ook op de vaststelling dat hun beider verkeersgedrag, mede gelet op de zichtbaarheid van de voetgangers vóór het wegrijden, dusdoende “zeer onvoorzicht en onoplettend” respectievelijk “in vergaande mate onoplettend” en “zeer onvoorzichtig” is geweest. Voorts heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat i.c. aan een veroordeling voor het medeplegen van het culpoos veroorzaken van een ernstig verkeersongeval niet in de weg staat dat niet beide verkeersdeelnemers met de door hen bestuurde auto’s met de slachtoffers in botsing zijn gekomen. E.e.a. is onjuist, noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen