HR 23 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1689

Herziening Ina P. Rapport CEAS. Als novum is aangevoerd dat het tijdstip van overlijden van het s.o., waarvan het Hof blijkens de bewijsvoering is uitgegaan (te weten: tussen 18.00 en 19.10 uur), niet juist kan zijn. De bewezenverklaring van de betrokkenheid van aanvraagster bij de bewezenverklaarde doodslag steunt in overwegende mate op haar, op 11-9-1986 t.o. de politie afgelegde, bekennende verklaring. De aan het Hof bekende stukken houden niet in dat og.v. de in een rapport van een verbalisant vermelde gegevens m.b.t. de lichaamstemperatuur van het s.o. (gemeten omstreeks 23.00 uur), een oordeel van een deskundige is gevraagd omtrent de vraag naar het tijdstip waarop de dood zou zijn ingetreden, terwijl de beantwoording van die vraag door een deskundige ook overigens geen voorwerp van onderzoek is geweest. De CEAS heeft onderzoek verricht naar de vraag of het mogelijke tijdstip van overlijden van het s.o. alsnog zou kunnen worden vastgesteld. I.h.k.v dat onderzoek heeft een forensisch patholoog-anatoom van het NFI verklaard dat, uitgaande van de gemeten lichaams- en omgevingstemperatuur, het tijdstip van overlijden niet rond of na 18.00 uur kan hebben gelegen maar vermoedelijk tussen 15.00 uur en 17.00 uur, of nog eerder. Mede o.g.v. die bevindingen, deelt de HR het oordeel van de conclusie van de A-G dat thans ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de dood van het s.o. op een aanmerkelijk eerder tijdstip is ingetreden dan door het Hof blijkens de bewijsvoering is aangenomen. Dat gegeven verdraagt zich, gelet op die bewijsvoering en de betekenis die daarin aan dat tijdstip toekomt, niet met de feitelijke toedracht waarvan het Hof is uitgegaan bij zijn oordeel dat het aanvraagster is geweest die het s.o. heeft gedood. Dat gegeven raakt daarmee ook aan 's Hofs oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde bekennende verklaring van aanvraagster. Aldus rijst het ernstig vermoeden dat het Hof, indien het met dat gegeven bekend was geweest, aanvraagster zou hebben vrijgesproken van de haar tlg. doodslag (feit 1). Er is dus sprake van een novum.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen