HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0539

1. Beslag onder klager ex art. 94 Sv. 2. Voorwaardelijk aanhoudingsverzoek. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen t.a.v. de beoordeling door de Rb van een beslag ex art. 94 Sv uit HR LJN AD5966 en LJN BG8959. Volgens de Rb vordert het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet langer. De Rb heeft voorts tot uitdrukking gebracht dat zich hier de situatie voordoet dat een ander redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden aangemerkt. Dat oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat klager zelf heeft verklaard dat het geld van anderen is, en hij naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van de Rb niet aannemelijk heeft gemaakt dat desalniettemin hijzelf als rechthebbende moest worden beschouwd. Ad 2. Hoewel de voorwaarde is vervuld waaronder het aanhoudingsverzoek is gedaan, is verzuimd te beslissen op dat verzoek. Geen van de op de raadkamerprocedure toepasselijke art. 21-25 Sv stelt nietigheid op het verzuim te beslissen op een verzoek als i.c. Het verzuim is ook niet begaan onder omstandigheden dat het geacht moet worden zodanig met een goede procesorde in strijd te zijn dat het nietigheid van het onderzoek door de Rb in raadkamer ten gevolge zou moeten hebben. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het verzoek niet is gemotiveerd terwijl in cassatie niet is uiteengezet in welk belang de klager door de afwijzing van het verzoek is geschaad.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen