HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6671

Ontvankelijkheid OM. Geldigheid 2e uitgebrachte dagvaarding. Vzv het middel berust op de opvatting dat het Hof heeft geoordeeld dat de zaak, die ttz aanhangig was gemaakt met de 1e (juni-)dagvaarding, t.t.v. de inhoudelijke behandeling door de Rb inmiddels was geeïndigd, gaat het uit van een onjuiste lezing van ‘s Hofs overwegingen. Het Hof heeft in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat aan die vervolging ‘de facto’ een einde is gekomen, waarmee het bedoeld heeft aan te geven dat er geen sprake is van een dubbele vervolging i.d.z.v. art. 68 Sr. Tav de ontvankelijkheid van het OM en de geldigheid van de 2e (september-)dagvaarding herhaalt de HR relevante overwegingen uit HR LJN AQ8552. ‘s Hofs oordeel dat i.c. geen zodanige schending van beginselen van een goede procesorde heeft plaatsgehad en verdachte evenmin zodanig is geschaad in enig rechtens te respecteren belang dat niet-ontvankelijkheid van het OM dient te volgen dan wel (partiële) nietigheid van de dagvaarding is, gelet op ’s Hofs vaststellingen onjuist, noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen