HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0837
Uitlevering. De strekking van art. 16.5 van het Verdrag van de VN tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad is duidelijkheid te scheppen m.b.t. de vraag of de Staat die het aangaat, het Verdrag met het oog op uitlevering zal beschouwen en toepassen als wettelijke basis voor samenwerking met de andere Staten die partij zijn bij het Verdrag. Dit brengt mee dat als een Staat een kennisgeving heeft gedaan a.b.i. art. 16.5.a zo een Staat jegens de andere verdragsluitende partijen gehouden is tot die samenwerking en dat zij op de juistheid en volledigheid van de aan die kennisgeving ten grondslag liggende verklaring moeten kunnen vertrouwen. E.e.a. brengt mee dat voor het antwoord op de vraag voor welke delicten kan worden uitgeleverd, te dezen het Verdrag bepalend is en niet art. 51a UW.
De uitspraak op rechtspraak.nl