HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0843

Uitlevering naar Macedonië. Weigeringsgrond ex art. 3.1 Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV. In HR LJN BB7699 heeft de HR o.m. overwogen dat o.g.v. art. 3.1 Tweede Aanvullend Protocol EUV uitlevering t.b.v. de tul van een verstekvonnis weliswaar kan worden geweigerd, doch niet indien de verzoekende Staat "een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd". Het gaat hier om een door de uitleveringsrechter te beoordelen weigeringsgrond. Indien naar diens oordeel de door de verzoekende Staat gegeven verzekering onvoldoende is, dient hij de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Voorts brengt het vertrouwensbeginsel mee dat de uitleveringsrechter in beginsel ervan dient uit te gaan dat de verzoekende Staat de bepalingen van de toepasselijke uitleveringsverdragen zal naleven. Dat lijdt slechts uitzondering indien – vzv. hier van belang - (a) uit f&o blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verzoekende Staat de gedane toezegging niet zal nakomen, waardoor de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6.1 EVRM toekomend recht, en (b) voorts n.a.v. een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM ten dienste staat t.z.v. die inbreuk. I.c is de HR o.g.v. de inhoud van een schrijven van het Ministerie van Justitie van Macedonië van oordeel dat de verzoekende Staat een verzekering i.d.z.v. meergenoemd art. 3.1 heeft gegeven. Van een uitzondering als hiervoor bedoeld is geen sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen