HR 9 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0090
Klacht schending art. 6.2 EVRM o.g.v. dat het Hof een betalingsverplichting heeft opgelegd ter ontneming van voordeel dat is verkregen door soortgelijke feiten, terwijl de betrokkene (a) hetzij voor die feiten niet is vervolgd, (b) hetzij - wat betreft één feit – daarvan is vrijgesproken. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BC2319. De klacht sub (a) faalt. Verdachte is in de hoofdzaak vrijgesproken van het onder 2 sub e telastegelegde feit. Gelet daarop heeft het Hof bij het ontnemingsbedrag ten onrechte het in de bestreden uitspraak aan dat feit gerelateerde voordeel betrokken (vgl. EHRM (Geerings tegen NL) NJ 2007, 349). De omstandigheid dat het hier kennelijk gaat om een zogenoemde technische vrijspraak, leidt niet tot een ander oordeel. De klacht sub (b) is derhalve gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl