HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9532

Art. 187d (oud) Sv. Het Hof heeft het verzoek van de verdediging om de R-C als getuige te doen horen kennelijk – en niet onbegrijpelijk – aldus opgevat, dat het ertoe strekte van de R-C te vernemen wat de betrokken getuigen tegenover hem hebben verklaard m.b.t. gegevens waaromtrent door hem ex art. 187d Sv was beslist dat deze niet ter kennis van de OvJ, verdachte en diens raadsman dienden te komen. Door inwilliging van dit verzoek zou die, aan de R-C voorbehouden, beslissing worden tenietgedaan. Daardoor zou het wettelijk stelsel van strafvorderlijke bevoegdheden op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. ’s Hofs oordeel, dat erop neerkomt dat het verzoek moet worden afgewezen omdat i.c. voor het doen horen van de R-C als getuige in het wettelijk stelsel geen plaats is, is derhalve juist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen