HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4853
1. Niet tijdig binnengekomen schriftuur en geschrift van verdachte. 2. Aanwijzing gerecht ex art. 510 Sv. 3. 359.2 Sv. Ad 1. Op een niet binnen de termijn binnengekomen, aanvullende schriftuur kan de HR geen acht slaan vzv. het niet kan worden beschouwd als een toelichting a.b.i. 438.2 Sv. Een geschrift van verdachte kan niet worden beschouwd als een schriftuur houdende middelen van cassatie gelet op art. 437.2 Sv. Ad 2. I.c. heeft de HR o.g.v. art. 510 Sv het gerecht aangewezen voor hetwelk de vervolging en berechting van de zaak tegen verdachte, een vice-president van de Rb, zal plaatshebben. De schriftuur verbindt aan de omstandigheid dat die beslissing is genomen zonder dat verdachte in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord de gevolgtrekking dat art. 23.2 Sv is geschonden maar de voorschriften van de 6e afd. van titel 1 WvSv - en dus ook art. 23.2 Sv – zijn niet toepasselijk op de behandeling van een verzoekschrift a.b.i. art. 510.1 Sv. Ad 3. Hetgeen door de raadsvrouwe en verdachte ttz. in appel aangevoerd m.b.t. het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige-deskundige kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dat uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door als bewijsmiddel te gebruiken de verklaring van de getuige-deskundige ttz. in appel en door zich in de nadere bewijsoverweging te beroepen op “de inzichten en bevindingen van de ter zitting gehoorde deskundige” maar heeft – in strijd met art. 359.2. Sv – niet i.h.b. de redenen opgegeven die tot die afwijking hebben geleid. Dat leidt tot nietigheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl