HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7671
Beklag. Conservatoir beslag op onroerende zaken ex art. 94a Sv. Het Hof heeft het beklag ongegrond verklaard omdat de onroerende zaken in feite toebehoren aan de echtgenoot van klaagster, tegen wie nog een ontneming van w.v.v. loopt. HR herhaalt HR NJ 1998, 575 en HR LJN AT2970 m.b.t. beklag door een derde, niet beslagene. Het Hof heeft, nu het niets heeft vastgesteld over het toepasselijke huwelijksgoederenregime, kennelijk voor ogen dat de onroerende zaken aan klaagster in eigendom toebehoren en dat deze zaken niet in verband staan met de strafbare feiten waarvoor klaagsters echtgenoot is veroordeeld, op de voet van art. 94a.2 Sr kunnen dienen tot verhaal van een aan de echtgenoot opgelegde betalingsverplichting op de enkele grond dat die echtgenoot t.a.v. deze onroerende zaken feitelijk kan handelen als behoorden deze zaken hem toe. In zodanig geval heeft de wetgever evenwel strafvorderlijk conservatoir beslag op de onroerende zaken, die blijkens inschrijving in de registers in eigendom toebehoren aan een ander dan aan wie het w.v.v. kan worden ontnomen a.b.i. art. 94a.3 Sv eerst toegelaten indien is voldaan aan de in die bepaling vermelde voorwaarden waaronder de voorwaarde dat deze voorwerpen, onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn van het desbetreffende misdrijf, vgl. HR LJN BA7675. Het Hof heeft art. 94a.3 Sv miskend.
De uitspraak op rechtspraak.nl