HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7648

Profijtontneming. 1. Verzoek tot inzage in anonieme brief. 2. Gebruik voor bewijs van p-v waarin gedeelten anonieme brief zijn opgenomen. Ad 1. Bij de beslissing tot afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het overleggen van de brief, heeft het Hof het belang van betrokkene bij het verkrijgen van de inzage afgewogen tegen het belang van de steller van de brief anoniem te blijven en heeft het geoordeeld dat laatstbedoeld belang behoorde te prevaleren. Daarbij heeft het Hof kennelijk als vaststaand aangenomen dat, overeenkomstig het door de A-G bij het Hof daaromtrent aangevoerde, inzage van de brief aan betrokkene de steller ervan in gevaar zou brengen. Bij de afweging heeft het Hof bovendien betrokken dat aan betrokkene voldoende compensatie is geboden door de hem in 1e aanleg gegeven en benutte gelegenheid de verbalisant als getuige te horen over de door deze in het p-v gerelateerde anonieme brief, terwijl het voorts heeft meegewogen dat betrokkene na dat verhoor geen nieuwe gronden aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd. Ad 2. De regeling van art. 344a Sv, die het gebruik van anonieme verklaringen voor het bewijs slechts onder voorwaarden toestaat, is niet van toepassing op de ontnemingsprocedure. In het geval een anonieme verklaring in een ontnemingsprocedure als bewijsmiddel wordt gebezigd, dient echter gewaarborgd te zijn dat aan de verdedigingsrechten van betrokkene in voldoende mate tegemoet wordt gekomen. Naar volgt uit de bewijsvoering van het Hof is het p-v van de CID niet het enige bewijsmiddel waar de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op steunt. Mede in aanmerking genomen dat ook overigens aan de verdedigingsrechten van betrokkene in voldoende mate is tegemoet gekomen door de compensatie die hem is geboden, is het oordeel van het Hof dat het p-v van de CID voor het bewijs kon worden gebezigd, onjuist noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen