HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055
Appeltermijn, bekendheid uitspraak (art. 408.2 Sv), brief raadsman. De in de wet bepaalde termijnen voor het indienen van een rechtsmiddel zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat verdachte niet in appel kan worden ontvangen. Ex art. 408.2 Sv kan verdachte binnen 14 dgn nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak verdachte bekend is, appel instellen tegen het vonnis van de rb. Van een “omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” is sprake als verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming t.a.v. het instellen van appel (HR LJN ZC9722). ’s Hofs oordeel, dat erop neer komt dat verdachte op 15-4-05 over voldoende gegevens beschikte omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming t.a.v. het instellen van appel, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting t.a.v. art. 408.2 Sv, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat een brief van de raadsman van 15-4-05 het parketnr. van de zaak behelst en de opgelegde straf. Het Hof heeft daarom terecht geoordeeld dat de beroepstermijn is aangevangen op 15-4-05. Voorts heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de omstandigheid dat er tussen de raadsman en het OM een briefwisseling is geweest over de vraag of het vonnis onherroepelijk was niet meebrengt dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Daarin ligt als oordeel besloten dat de omstandigheid dat de raadsman, hoewel rekening diende te worden gehouden met de mogelijkheid dat het vonnis niet onherroepelijk was, ervoor heeft gekozen niet terstond appel in te stellen, maar de schriftelijk gevraagde nadere inlichtingen van het OM af te wachten, voor risico van verdachte dient te komen. E.e.a. is onjuist, noch onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl