HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7927

Verzoek overname tenuitvoerlegging vonnis van Roemenië aan NL. Verstekvonnis i.d.z.v. art. 21 EVIG. VOGP en het aanvullend protocol, EVIG, WOTS. De Rb heeft terecht geoordeeld dat het EVIG i.c. niet toepasselijk is maar het VOGP. Ook als wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van EVIG, kan de stelling dat i.c. sprake is van een verstekvonnis i.d.z.v. art. 21 EVIG en dat deswege eerst de in art. 45.1 WOTS voorgeschreven betekening had moeten geschieden, niet als juist worden aanvaard. Ex art. 21.2 EVIG is sprake van een verstekvonnis i.d.z.v. dat Verdrag ingeval de veroordeelde niet in persoon ttz. is verschenen, ook indien hij zich aldaar heeft doen verdedigen door een raadsman. O.g.v. van art. 21.3 EVIG wordt een in appel gewezen verstekvonnis evenwel beschouwd als op tegenspraak gewezen indien het beroep tegen het in 1e aanleg gewezen vonnis was ingesteld door veroordeelde. In dat geval heeft hij (aldus het toelichtend rapport bij het VOGP) de mogelijkheid gehad een onderzoek ttz. in zijn aanwezigheid te bewerkstelligen en bestaat er derhalve geen noodzaak om te voorzien in een bijz. rechtsmiddel. Gelet hierop moet het vonnis waarvan de tul wordt gevraagd, voor de toepassing van het EVIG worden beschouwd als op tegenspraak gewezen. Dat het beroep niet is ingesteld door veroordeelde zelf maar door een hem van overheidswege toegevoegde raadsman, noopt niet tot een ander oordeel. De Rb heeft terecht geoordeeld dat i.c. geen sprake is van een verstekvonnis i.d.z.v. art. 21.2 EVIG. Gelet daarop kan de juistheid in het midden blijven van de overweging van de Rb dat nu de verzoekende Staat o.g.v. art. 22.4 VOGP uitdrukkelijk heeft gekozen voor toepassing van dat Verdrag, “het niet relevant [is] of een vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, een verstekvonnis betreft of niet”. Daarbij wordt echter volgende kanttekening geplaatst. Het VOGP heeft betrekking op de overname van een vrijheidsbenemende straf of maatregel die elders is opgelegd aan iemand die i.h.k.v. het VOGP is of kan worden overgebracht naar de aangezochte Staat. In de regel zal de desbetreffende rechterlijke beslissing betrekking hebben op een gedetineerde en dus meestal niet bij verstek zijn gewezen. Daar komt bij dat 1 van de voorwaarden waaronder een gevonnist persoon o.g.v. het VOGP kan worden overgebracht, is dat hij uitdrukkelijk heeft ingestemd met de overbrenging. O.g.v. die instemming mag het er in de aangezochte Staat in beginsel voor worden gehouden dat de veroordeelde geen bezwaren heeft tegen de procedure die tot zijn veroordeling heeft geleid. Die argumenten gelden echter niet zonder meer bij een op het Aanvullend Protocol bij het VOGP gebaseerd verzoek tot overname en m.n. niet bij een verzoek tot overname van een veroordelend vonnis dat is gewezen tegen iemand die tijdens zijn strafproces naar de aangezochte Staat is gevlucht teneinde zich te onttrekken aan de tul van het te wijzen vonnis. In dat geval is volgens art. 2.3 Aanvullend Protocol de instemming van de gevonniste persoon niet vereist voor de overdracht. Redelijke wetstoepassing lijkt nochtans mee te brengen dat in voorkomende gevallen de betrokkene een beroep op de voorzieningen van art. 45 ev. WOTS inz. verstekvonnissen niet kan worden ontzegd, ook al heeft de verzoekende Staat het verzoek uitsluitend gebaseerd op het (Aanvullend Protocol bij het) VOGP en niet op het EVIG. Dit onderwerp, dat noch in de i.c. relevante verdragen en (goedkeurings)wetten, noch in de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, uitdrukkelijk onder ogen is gezien, behoeft i.c. echter niet te worden onderzocht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen