HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7918

Een bijzondere voorwaarde a.b.i. art. 17c.2 onder e SrNA dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR NJ 1970, 123 m.b.t. art. 14c.2 onder 5° Sr, zoals dat thans luidt, welke bepaling overeenkomt met genoemd art. 17c.2 onder e SrNA). Aangenomen moet worden dat het Gerecht in Eerste Aanleg en het Hof de voorwaarde i.c. hebben gesteld met het oog op laatstgemeld doel. De gestelde bijzondere voorwaarde strekt ertoe dat verdachte gedurende de proeftijd van 2 jaar (in het bijzonder) Curaçao niet zal verlaten. Het stellen van die voorwaarde is echter mede in het licht van de verdragsbepalingen art. 12 IVBPR en art. 2 van het 4e Protocol bij het EVRM ontoelaatbaar omdat zij, gelet op de duur en de mate waarin zij verdachte in zijn bewegingsvrijheid beperkt, niet kan worden aangemerkt als een voorwaarde die een gedraging betreft waartoe verdachte uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden zou kunnen worden geacht.

De uitspraak op rechtspraak.nl