HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5617

OM-cassatie. De cassatieschriftuur houdt in dat de opgeëiste persoon “inmiddels uitgezet is uit Nederland (na ontslag uit uitleveringsdetentie en na een afgewezen asielaanvraag)”. Voorts is door de raadsman van de opgeëiste persoon bij gelegenheid van de tegenspraak van het cassatieberoep een brief overlegd van de IND van 12-12-2006 gericht aan de Rb ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, afdeling Vreemdelingenrecht, inzake de “Bewaringszitting 13 december 2006” betreffende de opgeëiste persoon. Dit schrijven houdt in dat de opgeëiste persoon op 13-12-2006 aan Fr zal worden overgedragen. Het t.b.v. de aanzegging van de behandeling van het cassatieberoep opgevraagde overzicht van 12-02-2007 inzake de adresgegevens van de opgeëiste persoon houdt in dat hier te lande geen adres van hem bekend is en dat hij hier niet is gedetineerd. O.g.v. hetgeen hiervoor is vermeld, moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon zich niet in Nld bevindt. Daarmee is aan de inleidende vordering van de OvJ tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek de grondslag komen te ontvallen. Hieruit vloeit voort dat de OvJ in die vordering alsnog niet kan worden ontvangen.

De uitspraak op rechtspraak.nl