HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5714

1. Ondervragingsrecht. 2. Afwijzing verzoek horen (anonieme) getuige, de bron van een eerder gehoorde CIE-informant. Ad 1. Vooropgesteld wordt dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het pv van de politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. I.c. is in de bewijsmiddelen voldoende steun in die zin te vinden voor betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde. Ad 2. ‘s Hofs oordeel i.v.m. de afwijzing van het verzoek tot horen van een (anonieme) getuige “dat ook een ondervraging anders vormgegeven - zoals de raadsman voorstelt - dan een verhoor op het kabinet van de rechter-commissaris hetzelfde gevaar in het leven roept” is zozeer verweven met afwegingen van feitelijke aard dat het in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Het oordeel waaraan het hof kennelijk ten grondslag heeft gelegd dat reeds de enkele oproeping van deze getuige ertoe zou kunnen leiden dat hij ervan op de hoogte komt dat de CIE-informant van hem afkomstige informatie aan derden heeft verschaft, is niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen